STORY 832: DE BOODSCHAP UIT DE SCHADUW

Gepubliceerd op 17 februari 2026 om 13:16

🟥 Ingezonden door: Sha Anches

           ⚜️DE BOODSCHAP UIT DE SCHADUW⚜️

—————————

Lieve OST-leden,

dit verhaal speelt zich af in de jaren ’80 in Paramaribo. Ik was toen pas drie jaar oud. In die periode woonde ik niet bij mijn ouders, maar bij mijn afootje, gescheiden van hen. Mijn ouders hadden het moeilijk, zoals veel jonge gezinnen in die tijd. Mijn moeder werkte in de zorg en deed haar uiterste best om haar kinderen te onderhouden. Mijn vader werkte keihard op de vaart als scheepsmachinist. Hij was vrijwel altijd weg, soms wel twee tot drie maanden achter elkaar, en wanneer hij eindelijk weer aan wal kwam, bleef hij meestal maar één week thuis voordat hij opnieuw vertrok.

 

Ik had toen een pasgeboren zusje van een paar weken oud. Zij bleef bij mijn ouders wonen, terwijl ik werd ondergebracht bij mijn afootje. Mijn vader zorgde goed voor zijn gezin, maar door zijn werk was hij vaker op zee dan thuis. Mijn moeder stond er in feite grotendeels alleen voor. Beide ouders deden hun best, maar de omstandigheden waren zwaar.

 

Waarom ik niet bij mijn ouders bleef, had te maken met de complexe familiesituatie. Mijn vader was de jongste van acht kinderen. Toen hij zeventien jaar oud was, overleed zijn moeder. Zijn broers en zussen waren toen al het huis uit, en mijn grootvader was een echte rokkenjager die nauwelijks thuis was. Daardoor bleef mijn vader alleen achter in het ouderlijk huis. Hij moest al jong voor zichzelf zorgen en werd als het ware “de man des huizes”.

 

Jarenlang woonde mijn vader alleen, tot hij mijn moeder ontmoette. Hij maakte haar tot zijn vrouw en al snel kregen ze hun eerste kind: ik, de oudste.

Op een dag kwam mijn grootvader op bezoek en vroeg hij aan mijn vader als zijn oudste dochter, Mirelva, weer in het ouderlijk huis mocht intrekken. Mirelva was de zus van mijn vader. Mijn vader had daar eigenlijk geen moeite mee, want het was tenslotte het huis van zijn vader. Zo gezegd, zo gedaan: tante Mirelva kwam weer wonen in het huis.

 

Tante Mirelva had ook een zoon, ongeveer even oud als ik. Maar wij konden het totaal niet met elkaar vinden. De sfeer in huis werd steeds gespannener. Mijn moeder was de situatie uiteindelijk helemaal zat en besloot dat het beter was dat ik tijdelijk ergens anders ging wonen. Zo kwam ik terecht bij mijn afootje.

 

Drie jaar later bracht mijn moeder opnieuw een kind ter wereld: een prachtige dochter, mijn zusje. Met haar geboorte mocht mijn vader voor één week aan wal blijven. Die week was hij volledig aanwezig, zorgzaam en betrokken. Een paar dagen voordat hij weer zou vertrekken, lagen mijn ouders en mijn pasgeboren zusje samen in de kamer. Het was rond acht uur ’s avonds toen mijn zusje plotseling vreselijk begon te huilen. Niet zomaar huilen, maar ontroostbaar. Ze had geen honger, was niet ziek, maar bleef maar krijsen. Ze huilde de hele nacht door, tot de volgende ochtend zes uur.

 

Tante Mirelva hoorde het kind huilen en klopte op de slaapkamerdeur van mijn ouders. Ze vroeg wat er aan de hand was. Mijn moeder zei dat ze alles had geprobeerd, maar dat niets hielp. Toen zei Mirelva tegen haar:

“Kande a abi bere ati.”

(Misschien heeft het kind buikpijn.)

 

De volgende dag had mijn moeder de middagdienst van drie tot tien uur. Mijn vader zette haar af op haar werk en besloot daarna niet meteen naar huis te gaan, maar langs te gaan bij zijn andere oudere zus, Regina. Toen hij daar aankwam, trof hij een goede kennis aan. Er werd bami gemaakt, gegeten, gedronken en gelachen. Het was gezellig. Tante Regina was blij haar jongere broer te zien en zat erbij, terwijl ze ondertussen haar huishoudelijke taken deed.

 

Rond acht uur ’s avonds zag mijn vader ineens een jongetje het erf op lopen. Het kind liep langs zijn auto richting het achtererf. Mijn vader riep nog naar zijn zus:

“Hé, volgens mij zoekt je buurjongen je. Hij loopt naar achter!”

 

Tante Regina ging kijken, maar zag niemand. Ze kwam terug en zei dat er niemand was. Mijn vader vond dat vreemd, want hij had het jongetje duidelijk gezien. Toch dronken ze nog wat en rond negen uur vertrokken mijn vader en zijn kennis. Mijn vader nam afscheid van zijn zus en reed weg om mijn moeder van haar werk te halen.

 

Maar op een bekende hoek in Paramaribo gebeurde het ondenkbare. Mijn vader kreeg een zware aanrijding. Zijn auto botste hard. Zowel hij als zijn vriend raakten ernstig gewond en werden met de ambulance naar de EHBO gebracht. Ze waren er allebei slecht aan toe.

 

Intussen was het al tien over tien. Mijn moeder stond te wachten, maar mijn vader kwam niet. Omdat er toen nog geen mobiele telefoons waren, kon ze niemand bellen. Ze besloot uiteindelijk naar huis te lopen. Onderweg zag ze plotseling een enorme uil boven haar hoofd vliegen. Ze schrok, maar zei niets en liep rustig verder.

 

Thuis aangekomen ging ze eerst baden. Net toen ze haar slaapkleding wilde aantrekken, hoorde ze hard op de deur kloppen. Ze liep naar de voordeur, deed open en zag vier politieagenten staan. Ze vertelden haar dat haar man een zware aanrijding had gehad en in het ziekenhuis lag. Eén van de agenten gaf haar een zak met de persoonlijke spullen van mijn vader.

 

Mijn moeder voelde de tranen al opkomen. Toen ze in de zak keek, zag ze het hemd dat mijn vader die middag had gedragen toen hij haar had afgezet. Het zat volledig onder het bloed. Op dat moment zakte ze door haar knieën en begon hysterisch te gillen van pijn en verdriet.

 

Meteen daarna kwam tante Mirelva uit haar kamer gerend met haar kinderen en vroeg wat er aan de hand was. Mijn moeder vertelde haar wat de agenten hadden gezegd. Mirelva reageerde slechts met:

“Ohw.”

Een vreemde, kille reactie. Maar mijn moeder dacht dat dit door de schok kwam.

 

De volgende dag gingen mijn moeder en mijn oma Thea naar het ziekenhuis. Daar kregen ze te horen dat er maar één persoon naar binnen mocht, omdat mijn vader in coma lag. Mijn moeder was vanaf dat moment zichzelf niet meer. Ze kreeg zijn vuile ondergoed, lange broek en onderhemd mee naar huis. Thuis zat ze urenlang huilend op bed.

 

Toen kwam mijn oma Thea naar haar toe en zei:

“Dja mi pkin, anu ju oso. Ju musu froisi. Begin kon sribi wan tu dey na mi, maar mek moeiti fu froisi.”

(Mijn kind, dit is jouw huis niet. Je moet verhuizen. Kom een paar dagen bij mij slapen, maar doe moeite om te verhuizen.)

 

Mijn moeder begreep niet waarom haar moeder dit zei, maar voelde dat het belangrijk was. Ze pakte een paar spullen, deed de deur op slot en vertrok met oma Thea. Mijn zusje was gelukkig veilig bij een oudere zus van mijn moeder.

 

Vier dagen later nam tante Regina contact op met mijn moeder. Ze zei:

“Meisje, het is jouw man en mijn jongere broer. Ik weet niet wat je gaat doen, maar ik ga uitzoeken wat hier precies aan de hand is. Er klopt iets niet. Ik voel dat er iets mis is. Ik wil mijn broer niet verliezen. Ik ben al bezig met een vrouw en ze zegt dat ik de vuile kleding van mijn broertje moet meenemen.”

 

Mijn moeder stemde toe. Ze gingen samen naar mevrouw Josta, een bekende luku-vrouw. Daar deed mevrouw Josta haar rituelen en zei uiteindelijk iets wat iedereen deed verstijven. Ze vertelde dat tante Mirelva “ting pasi” had betaald om mijn vader uit het ouderlijk huis te laten verwijderen. Met andere woorden: ze had spiritueel werk laten doen tegen haar eigen broer.

 

Mevrouw Josta zei:

“A jongu p'king no man taki, maar ben sji disi na fesi kba. Fu dati ede a p'king ben krey tak a no man sribi. Yu sisa ben de ini ogri sani. Mi pkin, mi sa yepi ju. Mi o gi ju wan batra nanga dresi. Drie dey langa te ju go luku a man, ju mu pot' a dresi ini eng fesi. Efu ju lobi eng tru tru, dan ju sa sji san o psa.”

 

(Het baby’tje voelde al dat er iets niet goed was, daarom huilde ze die nacht zo hevig. Maar ze kon het niet zeggen. Dat was het moment waarop haar tante bezig was met slechte spirituele praktijken. Jij bent nog jong en weet hier weinig van, maar ik zal je helpen. Ik geef je een fles met medicijn. Drie dagen lang moet je het in zijn gezicht wrijven wanneer je hem bezoekt. Als je echt van hem houdt, zal je zelf zien wat er gebeurt.)

 

Zoals iedereen weet, worden mensen in coma zelden wakker. Meestal zijn ze eigenlijk al dood, alleen de machines houden hen in leven. Maar mijn moeder deed precies wat haar was gezegd. Drie dagen lang ging ze naar het ziekenhuis en wreef het medicijn op zijn gezicht.

 

Op de vierde dag gebeurde het onmogelijke. Mijn vader lag niet meer op de IC, maar op de gewone zaal. Toen hij mijn moeder zag, vroeg hij verbaasd:

“Waar ben ik? En waarom lig ik hier?”

 

Na enkele dagen mocht hij naar huis.

 

Tante Mirelva had nooit verwacht hem levend terug te zien. Ze schrok zich kapot toen ze hem zag. De arts zei dat mijn vader rust nodig had en dat hij waarschijnlijk niet lang zou leven. Zijn hersenen zouden half dood zijn.

 

Maar twee maanden later verhuisden mijn ouders uit het ouderlijk huis en gingen in een huurwoning wonen. Vijf jaar later kreeg mijn moeder zelfs nog een derde kind van hem. Met zijn zogenaamd “half dode” hersenen gaf mijn vader les aan jonge matrozen tot aan zijn pensioen.

 

En vandaag?

Vandaag leeft hij nog steeds. He is still going strong, die man heeft zoveel energie. Hij geniet van zijn kinderen en vooral van zijn kleinkinderen.

 

Maar één ding weet mijn moeder zeker:

wat god jou gunt kan niemand jou ontnemen!

 

En die slechte tante, wij hebben daar geen contact mee maar zij krijgt vast haar verdiende straf. Alles wat je anderen aandoet op spiritueel vlak, blijft niet ongestraft en zal op een dag weer driedubbel terug keren naar jou en jouw gezin. 


Dit was mijn ervaring lieve OST leden, dit was was de boodschap uit de schaduw.


——

MENSEN IN DIT VERHAAL:

Oma Thea ———> Mijn moeder’s moeder

Tante Mirelva ——> Oudste zus van mijn vader

Tante Regina ——> Andere oudere zus van mijn vader

Mevrouw Josta —> Luku vrouw

——

 

⭐️⭐️= Herschreven door: Yvanna Hilton (OST Beheerder)

Reactie plaatsen

Reacties

Anastasia
een maand geleden

Ongelooflijk dat zijn eigen zus hem dit heeft aangedaan. Maar dankzij mevrouw Josta leeft haar broer gelukkig nog.