⬛️ Ingezonden door: Mike Sri Agni
⚜️PLANTAGE ALLIANCE: MUZIEK IN DE NACHT⚜️
--------------------------
Goeiemorgen OST familie,
Allereerst wil ik een ieder een swiet manspasi en een bezinningsvolle Keti Koti toewensen. Ode en grani aan allen die ons zijn voorgegaan. Dank aan hen die ons de weg hebben geplaveid, zodat wij het vandaag beter mogen hebben in Suriname. Deze dag draagt herinnering, pijn, kracht en respect in zich — en misschien is het juist daarom dat sommige plekken nooit helemaal zwijgen.
Dit verhaal speelt zich af zo’n vijfentwintig jaar geleden, rond deze tijd van het jaar. Het was 30 juni, de vooravond van Keti Koti. Ik besloot een paar dagen door te brengen op Plantage Alliance, een plek die ogenschijnlijk rustig was, maar waarvan de grond meer had gezien dan woorden ooit volledig kunnen beschrijven.
Rond 13.30 uur arriveerde ik met de rivierboot. Het water kabbelde rustig, alsof het niets wist van het verleden dat in de oevers verborgen lag. Ik meldde me bij mijn neef en nicht, regelde mijn spullen en tegen de late namiddag zaten we ontspannen bij elkaar, gewoon familie onder elkaar. De sfeer was warm, vertrouwd. Niets wees erop dat die nacht anders zou zijn dan andere nachten.
Tegen 19.30 uur zaten we bij het huis van mijn oom — ongeveer vijftien meter verwijderd van het huis van mijn neef — rauwe pinda’s te pellen. Terwijl onze handen mechanisch bezig waren en de schemering langzaam inviel, begon mijn neef plotseling te vertellen. Zijn stem was kalm, maar zijn woorden bleven hangen.
“Nevo, yu sabi tide na mofo neti fu manspasi. Alla jari, a sem dei disi, trafo ding 11 juru neti, kawna poku e pree ini busi.”
(Neef, je weet dat het vandaag de vooravond is van Keti Koti. Elk jaar op dezezelfde dag, rond elf uur ’s avonds, begint er kawna-muziek te spelen in het bos.)
Ik haalde mijn schouders op en antwoordde luchtig dat het vast een traditie moest zijn. Alliance had immers al jaren geen actieve aanplant meer die door Afro-Surinamers werd bewerkt. Voor mij klonk het logisch: oude gewoonten, mensen die samenkomen, niets bijzonders. Nothing weird, dacht ik.
Na het avondeten dronk ik nog een grassi thee — “mi dringi wan grassi thee” — en liep daarna rustig naar het huis van mijn neef. Terwijl ik over het pad liep, voelde ik ineens iets vreemds. De lucht werd plotseling ongewoon koud, alsof er een dikke mist over de weg kroop die er eerder niet was. Het voelde niet als gewone nachtkoelte; het was een kilte die op je huid bleef hangen. Toch liep ik door.
“Mi waka go mi nevo oso.”
(Ik liep rustig naar het huis van mijn neef.)
Binnen spraken we nog even over wat we de volgende ochtend zouden doen. We zouden vroeg opstaan om te werken op het kostgrondje (kebon) van mijn neef. Hij vertelde dat zijn grond niet ver lag van de plek waar de Commewijnerivier samenkomt met de monding van de Matapicakreek, vlakbij een oude, verlaten politiepost. Ik nam het ter kennis aan en rond 22.30 uur ging ik liggen. De dag had me moe gemaakt en ik viel vrij snel in slaap.
Maar wat daarna gebeurde, zal ik nooit vergeten.
23.30 uur.
“Mi mang, yu o geloif mi o no…”
(Mijn broer, geloof het of niet…)
Plotseling werd ik wakker van keiharde kawna-muziek. Geen vaag geluid, geen verre echo — maar duidelijk, ritmisch, krachtig. Kawna poku e pree bun tranga. Het klonk alsof er een hele groep muzikanten midden in het bos stond te spelen. De trommels sloegen diep en zwaar, de ritmes leken door mijn borstkas te gaan.
De muziek hield niet op. Urenlang bleef het doorgaan. Van 23.30 uur tot ongeveer 04.30 uur ’s ochtends. Ik lag wakker, luisterde, probeerde het te begrijpen. Het geluid kwam duidelijk uit het zuidoostelijke deel van de plantage. Af en toe dommelde ik weg, maar telkens werd ik weer wakker van hetzelfde onmiskenbare ritme.
In mijn halfslaap dacht ik nog:
“Meting juru kande mi o mit a kawna band.”
(Misschien zal ik in de ochtend de kawna-band ontmoeten.)
Toen het eindelijk stil werd, zat ik al vroeg bij de voordeur te wachten. Ik keek uit naar mensen die langs zouden lopen, muzikanten die hun instrumenten droegen, sporen van een nachtelijk feest.
No wan pokumang psa.
(Er ging geen enkele kawna-speler voorbij.)
Mijn neef kwam naar me toe en zei:
“Nevo, wi o go grong now yereh.”
(We vertrekken nu naar het kostgrondje.)
Wat mij direct opviel, was dat zijn kostgrondje precies lag in de richting waaruit ik de hele nacht de muziek had gehoord. In mijn hoofd had ik al besloten: als ik ook maar één teken van menselijke activiteit zou zien — voetsporen, afval, een vuurplek — dan was alles verklaard.
Maar hoe verder we liepen, hoe vreemder het werd.
Geen enkel teken van leven.
Geen voetstappen. Geen as. Geen instrumenten. Geen mensen.
Mijn neef keek me aan en vroeg:
“Yu ben yere kawina poku nanga neti?”
(Had je rond middernacht kawna-muziek gehoord?)
Ik antwoordde zonder twijfel:
“Ai. A ben de ala neti.”
(Ja. De hele nacht.)
Samen doorzochten we de wijde omgeving. We kamden het gebied uit, omdat de muziek zó duidelijk was geweest dat er simpelweg mensen moesten zijn geweest. Maar er was niets. Geen kawina-party. Geen spoor van menselijke aanwezigheid.
We liepen verder, richting de oude politiepost. Niet ver daarvandaan stuitten we op iets wat ons stil maakte: een zeer oude begraafplaats. De houten palen waren nog zichtbaar, scheef en verweerd door tijd en regen. Alles wees erop dat deze begraafplaats uit de slavernijperiode moest stammen.
Op dat moment viel alles samen.
De richting.
Het geluid.
De tijd.
De datum.
Als de muziek ergens vandaan moest zijn gekomen, dan was het hier.
Mijn neef kende het gebied als geen ander; het was niet zo dat we verkeerd zochten. Toen we ook hier geen levende ziel aantroffen, liepen we zwijgend terug naar huis. We spraken het niet hardop uit, maar we wisten allebei: dit was geen gewone nacht geweest.
Toch hadden we het allebei gehoord. Duidelijk. Onmiskenbaar. Urenlang.
We lieten het uiteindelijk voor wat het was. Maar diep vanbinnen wist ik dat de grond van Alliance iets had laten horen wat niet vergeten wilde worden.
En dit was geen op zichzelf staand geval.
In de jaren daarna heb ik soortgelijke ervaringen gehad op Plantage Bakkie Reynsdorp en Plantage Laarwijk. Andere nachten. Andere plekken. Maar telkens hetzelfde gevoel: alsof het verleden, precies op het juiste moment, besluit om weer te spreken.
Misschien zijn er nachten waarop de stilte geen stilte is.
Misschien zijn er ritmes die nooit zijn gestopt.
En misschien… luisteren wij gewoon niet altijd.
Totdat de kawna weer klinkt.
⭐️⭐️ Het verhaal is herschreven door de OST Beheerder Yvanna Hilton.
Reactie plaatsen
Reacties
Goededag hoe kan ik mijn verhaal met u delen ? Grt