STORY 815: LILLIBETH - DEEL 2

Gepubliceerd op 7 december 2025 om 14:04

🟫 Ingezonden door Naina

                      ⚜️LILLIBETH⚜️ DEEL 2

------------------------------ 

Ze moesten haar terugbrengen naar Paramaribo — dat stond vast. Haar colleges begonnen, en haar vader wilde niet dat ze achter raakte. “Ze heeft genoeg meegemaakt,” zei hij vermoeid. “Een beetje routine zal haar goed doen.”


Maar haar tante, Shanti, was niet gerust. Iets in haar hart fluisterde dat het verkeerd was om Priya weer de weg op te sturen. Daarom ging ze naar haar toe, voorzichtig, met een zachte stem en een kloppend hart. 

 

Priya zat op de veranda, in het ochtendlicht. Ze droeg een witte blouse en keek met lege ogen naar de rijstvelden in de verte. Haar haar viel over haar schouders, en ze hield nog steeds datzelfde poppetje in haar schoot.

“Beti,” begon Shanti voorzichtig. “We gaan straks naar de stad, ja? Terug naar je studie. Alles wordt weer normaal.”

Priya reageerde niet. Alleen haar vingers bewogen, ritmisch over de haren van de pop.

“Priya?” herhaalde Shanti, iets luider.

 


Langzaam draaide Priya haar hoofd, en er gleed een vreemde, spottende glimlach over haar gezicht. “Ik heet niet zo,” zei ze met datzelfde diepe, vreemde Nederlands accent. “Mijn naam is Lillibeth.

Shanti trok wit weg. “Wat zeg je, lieverd?”

“Lillibeth,” herhaalde ze, nadrukkelijk. “Ik wil niet naar de stad. Niet weer over die weg. De laatste keer ging het mis. Ik bleef daar zó lang… zo veel jaren.”

“Wat bedoel je?” fluisterde Shanti, terwijl ze een stap achteruitdeed.

“Jullie weten niet hoe koud het daar is,” zei Priya — nee, eigenlijk Lillibeth — met een kinderlijke glimlach die niet bij de woorden paste. “Altijd donker. Altijd wachten. Tot iemand kijkt. En toen zij keek…” — ze boog haar hoofd iets scheef — “…toen mocht ik mee.”


De stilte die volgde was ondraaglijk. De vogels buiten leken te zwijgen.

Shanti voelde haar keel dichtknijpen. “Wie is ‘zij’?” vroeg ze met moeite.

Priya lachte zachtjes, en zonder haar ogen te knipperen antwoordde ze:
“Het meisje dat jullie Priya noemen.”


De tante struikelde achteruit, haar hand voor haar mond. Binnen hoorde ze stoelen verschuiven, de moeder die haar naam riep. Maar ze kon geen woord uitbrengen.

Op de veranda zat Priya — of Lillibeth — nog steeds stil, haar blik gericht op de horizon, waar de weg naar Paramaribo begon.
En met een bijna tedere stem zong ze:

“Zeg ken jij de mosselman, die woont in Scheveningen…”

Iedereen in huis wist op dat moment: dit was niet zomaar een ziekte, geen vermoeidheid, geen verwarring.
Iets ouds en verloren had Priya haar lichaam overgenomen.

 

 

De middagzon stond fel boven de rijstvelden toen Priya’s oom, Rajesh, met klamme handen zijn motor parkeerde bij het erf. Zijn gezicht was bleek, zijn hemd doorweekt van zweet — niet alleen door de hitte, maar door wat hij net gehoord had.

Binnen zaten zijn broer en schoonzus nog altijd in gespannen stilte. Priya’s moeder zat met een gebedsketting in haar hand, haar lippen bewogen zonder geluid. Priya zelf zat aan tafel, met haar hoofd schuin, zacht neuriënd — nog steeds datzelfde Hollandse wijsje.

Rajesh stormde naar binnen. “Ik heb iemand gevonden,” zei hij haastig. “Een man, een Pakistaanse heer. Hij verblijft op Henar. Ze zeggen dat hij met zulke dingen werkt — dingen die de pandits niet durven aan te raken.”

Zijn broer keek op, wantrouwig. “Een peer baba?”

“Ja,” knikte Rajesh. “Zijn naam is Hassan Shah. Mijn collega vertelde dat hij mensen heeft geholpen die ook… anders spraken, vreemde talen, stemmen hoorden. Hij bidt, gebruikt verzen uit de Koran. Niet als een tovenaar, maar als een man van geloof.”

 


De moeder keek met grote, angstige ogen naar haar man. “Maar… wat als het erger wordt?”

“Erger dan dit kan niet meer,” zei hij zacht, zijn stem gebroken. “We moeten het proberen.”

Ze besloten geen tijd te verliezen. De zon zakte al, en de herinnering aan de rit van die vorige nacht hing nog zwaar in de lucht. Maar dit keer zouden ze niet wachten — Priya moest hulp krijgen, vóór de nacht weer viel.

Toen ze haar zeiden dat ze even een ritje zouden maken, begon ze te lachen. “Weer rijden?” zei ze op dat vreemde, schorre Nederlands. “Gaan we weer naar de meneer van de weg?”. Haar moeder slikte. “Nee, beti. We gaan iemand ontmoeten die je beter gaat maken.”

 

Priya keek haar aan, haar glimlach langzaam vervagend. “Mij beter maken?” Ze lachte kort, zonder vreugde. “Dan moet hij háár vinden. Lillibeth gaat niet zomaar weg.”

Ze zetten haar voorzichtig in de auto, dit keer met haar tante aan haar zijde. Rajesh reed, zijn blik strak op de weg. Niemand sprak een woord. Alleen Priya’s stem vulde de auto, fluisterend, alsof ze tegen iemand onzichtbaars praatte: “Ze denken dat ik ziek ben… maar ik ben gewoon weer thuis.”

Na een lange, stille rit stopten ze voor een klein, eenvoudig huis met groene luiken. Voor de deur stond een oude man in witte kledij. Zijn ogen waren kalm, zijn houding waardig.

“Jullie dochter,” zei hij nog voor iemand iets kon zeggen. “Ik heb haar komst al gevoeld.”

 

De familie keek elkaar aan — verbaasd en bang tegelijk.

“Breng haar binnen,” zei hij zacht. “Wat in haar woont, is niet nieuw voor mij.”

Langzaam begeleidden ze Priya naar binnen. De geur van rozenwater en wierook vulde de lucht, en gauw begon de oude man te reciteren — een gebed in een taal die zij niet kenden, maar die door de kamer golfde als iets dat ouder was dan woorden. De lucht in het kleine houten huis trilde van gezang. De oude man zat met gesloten ogen, zijn hand op Priya’s voorhoofd, terwijl hij zacht in het Arabisch fluisterde. De geur van brandende olie en kardemom hing zwaar in de kamer. De familie stond gespannen tegen de muur, hun handen gevouwen, niemand durfde te bewegen.


Priya’s ademhaling was eerst snel, onrustig — alsof er iets in haar vocht. Haar vingers bewogen, haar ogen draaiden onder haar oogleden. Maar dan, plotseling, kalmeerde ze. De man stopte met bidden en keek op. Een paar seconden lang was het doodstil, tot Priya diep ademhaalde en haar ogen opende.

Ze keek verbaasd om zich heen. “Mama?” zei ze zacht. “Waar zijn we? Wie is deze meneer?”

Haar moeder liet de gebedskralen vallen. “Priya?” fluisterde ze. “Beti… weet je niet meer?”

Priya schudde haar hoofd. “Ik… ik was in bed, toch? Waarom ben ik hier? Wat is er gebeurd?” Haar stem was helder, haar accent normaal — geen spoor van het diepe Nederlands, geen kinderlijke toon. Alleen verwarring.

De Pakistaanse heer, Hassan Shah, ademde langzaam uit en wreef met zijn hand over zijn voorhoofd. Hij keek niet naar Priya, maar naar haar ouders. Zijn stem was laag en ernstig. “Zij is terug,” zei hij. “En het meisje… Lillibeth… is niet meer in haar.”

 


“Niet meer?” vroeg Rajesh onzeker. “Bedoelt u… dat ze weg is?”

 

De man keek hem strak aan. “Nee. Niet weg. Alleen… niet hier.” Hij stond langzaam op en liep naar het raam, waar de laatste zonnestralen door het hout filterden. “Wat er in haar zat, heeft haar verlaten. Maar het heeft geen rust gevonden. Het heeft iets anders gekozen.”

Priya’s moeder greep haar man bij de arm. “Wat bedoelt u?”

De man draaide zich om, zijn blik zwaar maar vastberaden. “Ik weet waar dit over gaat. Jullie moeten niets doen. Niet spreken over haar, niet roepen, niet bidden met haar naam. Ga naar huis. Wacht tot morgen. Ik zal jullie dan een bericht sturen.”

 

Zijn toon duldde geen tegenspraak.

De familie knikte, verward en uitgeput. Ze hielpen Priya overeind, die nog steeds angstig om zich heen keek. “Mama, waarom kijken jullie zo raar?” vroeg ze zacht. “Wat is er gebeurd?”

 

“Alles is goed, beti,” fluisterde haar moeder, al trilden haar woorden. “We gaan naar huis.”

De rit terug naar het huis in Waldeck verliep in stilte. Priya zat stil, haar blik naar buiten gericht, alsof ze probeerde te begrijpen waarom iedereen zo gespannen was.

Haar vader keek even in de achteruitkijkspiegel.
Ze leek weer zijn dochter — dezelfde zachte glimlach, dezelfde rustige houding.

Maar in zijn hart bleef iets kouds hangen.
De woorden van Hassan Shah galmden in zijn hoofd:
“Niet weg… alleen niet hier.”

Thuis aangekomen keek Priya nog één keer naar de donkere weg achter hen.
“Raar,” zei ze zacht. “Het lijkt net alsof iemand ons volgt.”

 

De lach sneed door het huis als glas. Het was hetzelfde kinderliedje, licht en vreemd, maar de klank erachter was gespleten — scherp als een mes. Iedereen verstijfde. Priya zat aan tafel, maar het was niet Priya die bewoog; het was iets anders dat haar lippen bewoog en achter elke vrolijke noot een koude dreiging verborg.

“Waar zijn jullie mee bezig?” klonk de stem, eerst zoet, toen als ijs. “Hebben jullie haar lief? Jullie durven weer naar mensen te rennen — kwakzalvers, mannen met gebeden… Als jullie dat nog één keer doen, betalen jullie met haar leven.” De woorden lagen zacht op de lucht, maar alsof ze in lood waren gegoten en de kamer zwaarder maakten. “Ik blijf. Ik ga nergens heen. Lillibeth blijft bij haar. Jullie zullen haar niet terugkrijgen.”


Haar moeder viel op haar knieën, tranen stroomden over haar wangen terwijl ze naar Priya kroop en smeekte: “Beti, luister naar me! Mama is hier, we geven je geen pijn —” maar de stem onderbrak haar met een gelach dat helemaal niet bij het gezicht van het meisje leek te passen. De lach vervormde de schaduwen aan de muren; zelfs de hond jankte en kroop weg onder de tafel.

 

Haar vader sloeg met zijn vuisten tegen het houten bankstel, radeloosheid in elk bonzend hartslaggeluid. “We moeten Hassan halen,” zei hij, maar zijn stem brak. De oom legde een hand op zijn schouder, hield hem even vast en zei met trillende kalmte: “Wacht. Hassan heeft gezegd te wachten op zijn bericht. Hij wist dit misschien al — misschien is dit waarom hij vroeg niets te doen.” Ze wisten dat dat een test of een plan kon zijn; ze wisten ook dat elke minuut riskant voelde.

 

Lillibeth — het was nu niet alleen een naam meer, maar een aanwezigheid — draaide langzaam op haar stoel, haar hoofd kantelde op diezelfde onschuldige manier en ze neuriede het liedje opnieuw. Toen stond ze op en liep zachtjes naar de deur van Priya’s kamer. Bij elke stap leek de lucht kouder te worden. Haar hand raakte kort de deurpost alsof ze een eigendom claimde. “Slaap lekker,” fluisterde ze, een stem die als een kus klonk en als een vloek tegelijk.

 

Die nacht bleef de familie bijeen, fluisterend, sommigen biddend, anderen stijf van angst. De uren kropen voorbij tot in de vroege ochtend. Net toen de lucht oranje werd en de eerste kippen begonnen te kakelen, kwam er een bericht: Hassan zou die middag komen — later dan verwacht, maar hij kwam. De vader voelde voor het eerst sinds de aanval van de vorige avond een rem op de paniek; het was een dunne draad van hoop.


Hassan arriveerde met een kleine groep: zijn neef en een jonge man die wierook en flessen water droeg. Hij stapte het huis binnen met de rust van iemand die al te vaak in duister had gekeken. Hij zei weinig; zijn ogen namen alles in zich op — de gezichten, de stilte, de manier waarop Priya zat en de afwezige glimlach die niet helemaal haar eigen was. Zonder omhaal vroeg hij de familie in de keuken te gaan zitten en haalde hij een lapje stof, wat olie, en een oude versierde dolk uit een kistje.

 

Het ritueel dat volgde was niet sensatiebelust, maar precies en onverbiddelijk. Hassan reciteerde verzen, eerst zacht, daarna luider, zijn stem als een rivier die tegen de rots klotst. Hij maakte een cirkel van zout en wat kruiden rond Priya en legde zijn hand op haar voorhoofd. Van buiten klonken nog vage tonen — de echo van het kinderliedje — maar binnen die cirkel begon de toon te breken. Lillibeth antwoordde met woorden en geluiden die geen menselijk oor eerder had gehoord; ze sprak in een mengeling van Nederlands, oude namen en iets wat leek op woorden van verloren reizigers.

 

Hassan hield vol. Hij riep namen op die de familie niet kende en sprak met de kalmte van iemand die met oude wetten werkte. De kamer vulde zich met rook en het scherpe aroma van rozenwater. Een wind sloeg tegen de ruiten, en op een gegeven moment boog Priya zich hevig voorover, alsof iets uit haar wilde ontsnappen. Iedereen keek naar Hassan, die zijn stem opvoerde en één gebaar maakte met de dolk — niet om te snijden, maar als teken om de laatste knoop te verbreken.

 

Met een geluid dat tussen een zucht en een klaag lag, verschoof de kamer. Priya schokte, haar handen klemden zich om de rand van de stoel — en toen, met een heldere, menselijke ademhaling, opende ze haar ogen. Haar blik zocht die van haar moeder en voor een fractie van een seconde was het meisje, de echte Priya, terug: verwarring, angst, en een enorme vermoeidheid stonden op haar gezicht. “Mama?” fluisterde ze, en haar stem brak.

 

Hassan knielde naast haar en legde een zachte doek over haar handen. Zijn stem was nu warm en beleefd, maar streng. “Ze is weggehaald,” zei hij tegen de familie. “De aanwezigheid is verbannen — niet vernietigd. Sommige dingen zijn niet van deze wereld en ze laten sporen achter. Ze zal herstellen, maar wees op uw hoede. Dreigementen zoals die… die waren de laatste wanhoopskreten van wat er in haar leefde. Zorg dat ze rust krijgt, bescherm haar tegen reizen in de schemering en roep me direct als iets terugkeert.”


De dagen die volgden waren geen onmiddellijke wedloop naar vreugde, maar een voorzichtig ontwaken. Priya sliep veel. Soms viel ze in dromen die haar deden trillen bij het ontwaken; soms zong ze zachtjes snippers van liedjes die geen van hen kende — alsof ze stukjes van een ander leven doorschemerden. De familie hield zich aan Hassan’s regels: geen reizen in de schemer, stilte in hun gesprekken over wat gebeurd was, en dagelijks gezegende wateren die ze op de drempels sprenkelden.

 

Langzaam trok kleur terug in Priya’s wangen. Haar lach kwam voorzichtig terug, eerst als een echo, daarna met meer zekerheid. De handtekeningen van angst bleven — kleine rituelen die ze samen deden, de geur van de wierook die Hassan had opgelegd — maar de dreiging van Lillibeth was verbroken. Hassan bezocht hen nog twee keer, sprak met Priya, en gaf de familie oefeningen om de geestelijke veerkracht van het huis te herstellen.

 

Eind september — maanden later — zat Priya op de veranda en keek naar de weg. Ze hield een klein poppetje in haar hand en tikte er bedachtzaam mee. Haar moeder zat naast haar en nam haar hand vast. De herinnering aan Lillibeth lag als een dunne, pijnlijke lijn onder hun dagelijks leven: ze voelde zich soms bijna aanwezig, een koude plek in een zomerlichaam, maar Hassan had haar naam uit de kamer laten wegglijden. Ze waren verloren en gewonnen tegelijk — dankbaar dat Priya terug was, maar ook bewust van hoe broos die terugkeer had geklonken.

 

Die middag zat Hassan met de familie rond de lage tafel. De wierook was inmiddels bijna opgebrand; de lucht rook naar as en rozenhout. Priya lag te rusten in haar kamer, eindelijk rustig. Hassan sprak zacht, alsof hij bang was dat de muren zouden meeluisteren.

“Jullie moeten weten wie Lillibeth was,” begon hij. “Ze is geen gewone geest. Ze was ooit een kind van vlees en bloed — een meisje dat hier in Nickerie leefde, lang voordat deze wegen bestonden zoals nu. Haar vader was een Engelsman en haar moeder een Nederlandse dame, eigenaar van een kleine plantage aan de rivier. Op een dag vertrokken ze naar Paramaribo, maar onderweg werden ze aangevallen door gevluchte arbeiders die zich wilden wreken. Niemand weet precies wat er gebeurde, maar Lillibeth… het meisje stierf daar, op de plek waar jullie langsreden.”

Hij pauzeerde, zijn blik zwaar van eeuwenoude kennis. “Haar familie bereikte de stad, maar keerde nooit terug. Uiteindelijk gingen ze terug naar Engeland, terwijl zij hier bleef… haar ziel verward, wachtend op gezichten die nooit kwamen. Eeuwenlang keek ze uit over die weg, hopend dat iemand haar zou herkennen, dat ze gezien zou worden.”


De moeder fluisterde: “En toen… Priya?”

 

Hassan knikte. “Ja. Toen Priya in het licht keek — dat witte licht dat reizigers verleidt om te stoppen — zag ze niet zomaar een verschijning. Ze zag haar. En op dat moment zag Lillibeth háár ook. Voor het eerst sinds haar dood werd ze gezien, echt gezien. En dat trok haar los uit haar gevangenschap… maar niet alleen haar.”

 

De oom boog voorover. “Wat bedoelt u?”

 

“Dat witte licht,” zei Hassan langzaam, “is geen licht van God. Het is een list. Eeuwen geleden is iets donkers over dat stuk land gekomen — een entiteit die zielen vangt die niet rusten. Het neemt vormen aan die onschuldig lijken… soms een vuur, soms een kind. Het heeft Lillibeth gevangen, gevoed met schuld en eenzaamheid, tot ze niet meer wist wie ze was. Maar toen Priya haar zag, brak er iets. De demon verloor zijn greep, en Lillibeth klampte zich vast aan Priya om te ontsnappen.”

 

“Dus…” de vader haalde diep adem, “ze wilde niet kwaad doen?”

 

Hassan schudde zijn hoofd. “Niet in het begin. Ze was verward. Haar geest droeg de pijn van eeuwen, de angst van die nacht. Maar de demon die haar vasthield, probeerde via haar een nieuwe weg te vinden — een levend lichaam, een nieuw anker. Daarom werd Priya zo zwaar getroffen.”

 

De kamer bleef stil. Buiten kraaide een haan in de verte; het was alsof de wereld weer langzaam normaal werd.

 

Hassan stond op. “Ze is vrij nu,” zei hij zacht. “Zowel Lillibeth als jullie dochter. Maar de plek waar ze stierf — die moet worden geheeld. Laat ik daar morgen heengaan. Niet om te vechten, maar om vrede te brengen voor het kind dat nooit de weg naar huis vond.”

De familie knikte in stille ontroering. Voor het eerst sinds dagen voelden ze geen angst, maar medelijden — voor het meisje dat eeuwenlang in het donker had gewacht tot iemand haar eindelijk zag.

 

De zuivering aan de weg

De volgende ochtend was de lucht zwaar van vocht. Mist trok als sluiers over de rijstvelden, en de weg naar Wageningen lag er verlaten bij. Hassan reed voorop in zijn oude jeep, gevolgd door Priya’s vader en oom. In de auto zweeg iedereen. Zelfs de vogels leken te zwijgen, alsof ze wisten waar de mannen heen gingen.

Toen ze het stuk bereikten waar de banden van Priya’s vaders auto ooit waren gesprongen, stapte Hassan uit. Hij stond stil, sloot zijn ogen en ademde diep in. De stilte was bijna tastbaar.
“Hier,” zei hij zacht. “Dit is waar ze gestorven is.”

 

Hij liet de mannen drie cirkels trekken met zout en wierookpoeder, terwijl hij in het midden een klein bakje water zette, gemengd met olie en bloemen. Vervolgens begon hij te spreken in een mengeling van Arabisch en Urdu, oude verzen die zacht door de wind werden meegenomen.

“Voor het kind dat bleef wachten,” fluisterde hij, “en voor het licht dat haar gevangen hield.”

Het was alsof de omgeving zelf antwoord gaf. Een koele wind trok langs hun gezichten, de mist bewoog zich traag en vormde even een gedaante — vaag, teer, alsof er een meisje met lang blond haar en een witte jurk stond. Ze glimlachte, haar ogen vol verwarring en verdriet, maar ook met iets van herkenning.

Hassan boog zijn hoofd diep. “Ga,” zei hij. “Je bent niet meer alleen. Je weg is gevonden.”

De lucht trilde even, en toen brak de zon door. De mist trok op, en de geur van bloemen vulde plots de lucht.
Priya’s vader voelde iets warms over zijn schouder strijken — als een kind dat afscheid nam.

Hassan bleef nog even staan. Zijn blik was ver weg, alsof hij door tijd en ruimte heen keek. “De demon is gebroken,” zei hij langzaam. “Zonder haar heeft hij geen anker meer. Wat hier gevangen zat, is eindelijk vrijgelaten.”

Ze stonden nog een tijdje stil, niemand durfde te spreken. De weg leek lichter, alsof het landschap zelf opgelucht ademhaalde.

 


TERUG IN PARAMARIBO

Weken later zat Priya in Paramaribo weer in de collegezaal. De gebeurtenissen leken bijna een droom — te vreemd om waar te zijn. Soms dacht ze dat ze het zich had ingebeeld, maar dan voelde ze het weer: een zachte bries die haar wangen raakte, de geur van rozen, of een kinderstemmetje dat ze in de verte hoorde zingen — niet dreigend meer, maar vredig, als een lied dat thuiskomt.

’s Avonds, wanneer ze uit haar raam keek, zag ze vaak een licht over het kanaal dansen. Vroeger zou ze bang zijn geweest. Nu glimlachte ze alleen.
“Vaarwel, Lillibeth,” fluisterde ze dan. “Je hebt je weg gevonden.”

Haar moeder belde elke dag, bezorgd maar ook dankbaar. Priya vertelde dat ze zich goed voelde, dat haar dromen rustiger waren geworden. Ze studeerde weer met volle aandacht, en soms, in stille momenten, schreef ze in haar dagboek over dat vreemde meisje van de weg — niet als een geest, maar als iemand die eindelijk vrede had gekregen.

Aan het einde van het semester stuurde Hassan een brief. Geen officiële boodschap, alleen één zin in zijn sierlijke handschrift:

“Sommige zielen wachten eeuwen om gezien te worden. Jij hebt haar bevrijd — en daarmee ook jezelf.”

 

Priya las het, vouwde de brief op en legde hem onder haar kussen. Buiten viel de regen zacht op de daken van Paramaribo. Ze sloot haar ogen, en in haar droom zag ze een meisje in wit linnen door een veld lopen — niet langer dolend, maar glimlachend, eindelijk thuis.

 

⭐️= het verhaal is geplaatst zoals die ontvangen is.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.