STORY 814: LILLIBETH - DEEL 1

Gepubliceerd op 4 december 2025 om 14:44

⬛️ Ingezonden door Naina

                      ⚜️LILLIBETH⚜️ DEEL 1 

------------------------------ 
Goedemorgen OST leden, ik wil vandaag een waargebeurde ervaring met jullie delen over een familielid

 
De zon zakte langzaam achter de eindeloze rij kokosbomen, terwijl de geur van rijstvelden en natte aarde de lucht vulde. Aan de oever van de brede kanaal zat Priya, een jongedame van negentien jaar, met haar blik op het kabbelende water gericht. Ze was opgegroeid in Waldeck - Nickerie, in een groot huis waar tradities en dromen elkaar ontmoetten. Nu studeerde ze ver weg in Paramaribo, aan de universiteit van Paramaribo, waar ze bekendstond als één van de meest veelbelovende studenten.
 

Haar ouders waren trots — niet alleen op haar cijfers, maar op haar waardigheid, haar zachte stem, en het respect waarmee ze iedereen tegemoet trad. Ze hadden haar met zorg opgevoed, tussen verhalen van voorouders en de geur van masala en mango’s uit de tuin.
 
 
Dit weekend was bijzonder. De familie zou samenkomen voor Phagwa, en zoals altijd stuurde haar vader een chauffeur om haar op te halen. Voor hem bleef ze zijn “lil’ beti,” ook al droeg ze nu boeken in plaats van poppen.
 
 
Terwijl de Lexus de weg naar Nickerie nam, voelde Priya iets warms in haar hart — een mengeling van heimwee, trots en een vaag voorgevoel dat dit bezoek anders zou zijn dan alle vorige.
 
 

Maar het was de stilte van de nacht die haar altijd ongemakkelijk maakte. De lange, rechte weg, omzoomd door dichte bossen en verlaten huizen hier en daar, had iets onheilspellends wanneer de duisternis inviel. De koplampen van de auto sneden een smalle strook licht door de nacht, terwijl de rest van de wereld leek te verdwijnen in een zee van schaduw.
De chauffeur, Bhai Ram, hield zijn blik strak op de weg gericht. Af en toe mompelde hij iets onverstaanbaars, alsof hij zichzelf moed insprak. Priya merkte het op, maar vroeg niets. Ze wist dat oudere mensen soms geloof hechten aan dingen waar zij, als moderne student, liever niet te veel over nadacht.
 
 
Na kilometers rijden, toen ze al voorbij Totness waren, begon de lucht te trillen van hitte en vocht. De regen was nog niet gevallen, maar de geur van natte aarde hing al in de lucht. De motor bromde gestaag, en Priya probeerde te ontspannen — tot Bhai Ram plotseling zijn snelheid minderde.
“Wat is er?” vroeg ze, haar stem iets te scherp.
“Een licht, daar verderop,” zei hij zacht. “Maar… er zijn geen huizen hier.”
 
 

Priya boog iets naar voren, haar ogen gericht op de verte. Inderdaad, tussen de bomen flakkerde een vreemd, witachtig licht. Het bewoog niet, maar het leek ook niet stil te staan.
Ze voelde haar hart iets sneller kloppen.
“Misschien een auto die stilstaat?” probeerde ze.
“Of misschien niet,” antwoordde hij, zijn stem bijna fluisterend. “Mensen zeggen… dat sommige lichten niet van mensen komen.”
Priya lachte zenuwachtig. “U bedoelt bakru’s en asema’s? Kom nou, Bhai.”
Toch hield ze haar blik strak op dat licht, dat steeds helderder werd naarmate ze dichterbij kwamen.
 
 
Het witte licht scheen nog even tussen de bomen, toen plots een doffe knal de stilte doorsneed. De auto schokte hevig en Bhai Ram greep het stuur met beide handen vast.
“Sháá!” vloekte hij zacht. “Band lek.”
De wagen rolde langzaam uit en kwam tot stilstand aan de kant van de weg. Alleen het geluid van krekels vulde de nacht, en in de verte gromde de donder. Het mysterieuze licht was verdwenen — alsof het nooit had bestaan.
Priya slikte. “Wat nu?” vroeg ze, terwijl ze uit het raam keek naar de donkere weg. Er was geen enkel ander voertuig te zien.
 
 
“Rustig blijven, beti,” zei Bhai Ram, terwijl hij uitstapte. “Ik heb een reserveband.”
Ze hoorde het metaal van de kofferbak en het gekraak van gereedschap. Even later riep hij haar naam. “Kom even helpen met de zaklamp, het is te donker.” 
Priya aarzelde, maar stapte uit. De lucht was zwaar van vocht, en haar slippers plakten aan de modderige grond. Ze hield de zaklamp trillend vast terwijl hij de krik onder de wagen schoof. De regen begon zachtjes te vallen, druppels tikten op het dak en over haar haar.
 
 
 
“Hou zo, beti,” zei Bhai Ram, terwijl hij met korte, krachtige bewegingen werkte. Zijn handen bewogen snel, maar zijn blik schoot telkens even naar de boomrand, alsof hij iets verwachtte te zien.
Na een kwartier zwoegen was het eindelijk klaar. De lekke band lag naast de weg, glimmend van de regen. Ze stapten weer in, druipend, zwijgend.
De motor startte met moeite, bromde even, en hervond zijn ritme. Priya veegde haar natte wangen af, haalde diep adem en leunde tegen het raam. De spanning viel van haar af, en de ritmische beweging van de wagen wiegde haar langzaam in slaap.
 

Toen ze haar ogen weer opendeed, was het ochtend. De zon scheen over de rijstvelden van Nickerie, en ze hoorde in de verte de hanen kraaien. Ze was thuis.
Maar ergens, diep in haar gedachten, bleef dat witte licht flikkeren — als een herinnering die niet helemaal wilde verdwijnen. Verder bleek zij zich niets te kunnen herinneren over het verdere verloop van de vorige nacht.  
 
 
De ochtend was helder, de tuin vol met stemmen en kleuren. De familie had zich al vroeg verzameld voor het feest — vrouwen in felgekleurde t-shirts, mannen in witte hemden, en kinderen die door de veranda renden met schaaltjes gulab jamun en bara. Priya’s moeder straalde toen ze haar dochter naar beneden zag komen. “Ah, daar is mijn meisje! Mijn grote student!” riep ze uit, terwijl ze haar omhelsde. Maar nog voor ze goed en wel kon antwoorden, trok Priya zich los en draaide een rondje onder aan de trap.
“Mooi huis, mamaaa!” zei ze met een zangerige stem, haar woorden onduidelijk, alsof ze net leerde praten.
 
 
Ze giechelde, sprong op één been en keek verwonderd naar haar handen, alsof ze die voor het eerst zag. Haar moeder fronste. “Priya? Gaat het goed met je, beti?”
Maar Priya gaf geen antwoord. Ze begon te huppelen, haar haren dansend in de wind, terwijl ze zacht een kinderliedje neuriede dat niemand verwachtte.
“Klap eens in je handjes… blij, blij, blij…”
De familieleden keken elkaar aan. Haar vader probeerde te lachen, nerveus. “Ze is vast moe van de reis. Te veel gestudeerd, hè? Even haar hoofd kwijt.”
 
 
Maar naarmate de dag vorderde, werd haar gedrag vreemder. Tijdens het feest zat ze op de grond met de kinderen, maakte zandtaartjes en lachte om niets. Wanneer iemand haar iets vroeg, keek ze met grote, kinderlijke ogen op en antwoordde in korte, onzinnige zinnen.
“Ik maak taart. Jij eet niet! Hihi!”
Ze danste later zelfs midden in de zaal, op een oud Nederlands kinderliedje dat niemand had aangezet. Haar stem was hoog, bijna ijl, en de woorden kwamen vloeiend — maar vreemd genoeg leek ze niet te beseffen wat ze zong.
 
 
De muziek stopte. Alleen Priya ging door, in haar eigen ritme, alsof ze iets hoorde wat de rest niet kon horen.
Langzaam trok een onrustige stilte over de kamer.
De oudere tantes fluisterden met elkaar. Haar moeder voelde haar hart ineenkrimpen.
Er was iets in de blik van haar dochter dat niet van haar was.
 

Priya’s gelach sloeg om in een schril, vreemd geluid toen haar vader haar stevig bij de arm greep. Haar tante, die nog met een schaal ladoo in de hand stond, bevroor midden in haar beweging.
“Genoeg, Priya!” zei haar vader, zijn stem trillerig maar streng. “Je gaat nu naar binnen. Je moeder maakt badwater voor je.”
Priya schudde haar hoofd heftig, haar natte haren vlogen in het rond. “Nee! Niet baden! Niet nat!” riep ze, haar stem plotseling veel hoger, bijna niet van haarzelf. “Ik blijf spelen! Ik blijf hier!”
 
 
“Luister naar je vader,” zei haar oom zacht, maar toen hij haar andere arm vastpakte, verstijfde Priya. Haar lichaam trok strak, en een diepe, grommende klank ontsnapte uit haar keel — zo vreemd, zo onmenselijk, dat iedereen achteruit deinsde. De wind die door het huis waaide leek plots zwaarder, kouder. De lamp boven de veranda flikkerde kort.
“Laat me!” krijste ze, haar stem schor. “Hij zegt dat ik niet mag!”
“Wie zegt dat, beti?” vroeg haar tante voorzichtig, maar Priya keek haar niet aan. Haar ogen waren glazig, haar adem snel en hortend.
 
 
Ze keek naar iets achter hen — naar een lege hoek van de kamer.
“De meneer van de weg,” fluisterde ze. “Hij was daar… bij het licht.”
 
 
 
Een ijzige stilte viel. De kinderen die nog in de kamer waren, werden snel door hun moeder naar buiten geleid. Haar vader en oom probeerden haar voorzichtig naar de badkamer te brengen, maar ze begon te slaan, te schoppen — met kracht die niet bij haar paste.
“Ram, help me!” riep haar vader, terwijl ze haar bij elkaar probeerden te houden. Plotseling, midden in die worsteling, zakte Priya in elkaar. Haar hoofd viel achterover, haar armen slap. Alleen haar lippen bewogen nog — fluisterend, haast zingend.

 

Een kinderliedje.
Zacht.
In het Nederlands.

“Daar buiten loopt een schaapje, dat heeft een wollen vacht…”

Niemand sprak. Alleen het geluid van het badwater dat in de verte nog uit de kraan liep, vulde het huis. 

Haar moeder begon te huilen. Haar vader stond als versteend. En buiten, in de verte, leek de wind even te antwoorden — een zacht gefluit tussen de bomen.

 

De nacht viel zwaar over het huis in Waldeck. De geur van poeder en parfum van het afgebroken feest hing nog in de lucht, vermengd met iets kouds — iets dat niet te verklaren viel. De veranda was verlaten, en binnen zaten de familieleden dicht bij elkaar, terwijl Priya’s moeder stilletjes huilde.

“Geen enkele pandit wil komen vanavond,” zei haar oom met een doffe stem. “Ze zeggen dat het Phagwa is, dat het geen dag is voor rituelen van duisternis.”

“Maar wat moeten we dan doen?” fluisterde haar moeder. “Kijk naar haar…”

In de slaapkamer zat Priya rechtop in haar bed. Haar haren hingen los, haar ogen glansden onnatuurlijk in het zwakke lamplicht. Haar lippen bewogen, zacht en eentonig:

“Altijd is Kortjakje ziek… midden in de week, maar zondag niet…”

 


De woorden kwamen traag, zwaar, met een accent dat niemand herkende. Soms lachte ze er tussendoor, maar het was geen lach die bij haar paste — het was te diep, te oud.
Haar vader kon het niet aanzien. “Beti,” zei hij zacht, terwijl hij naast haar kwam zitten. “Je papa is hier. Kijk naar me.”

Langzaam draaide ze haar hoofd. Haar ogen leken hem niet te zien.
“Hij laat me niet los,” fluisterde ze.
“Wie?” vroeg hij, terwijl de rilling over zijn rug kroop.

“Die meneer van de weg,” zei ze. “Hij stond bij het licht. Hij pakte mijn hand toen jullie de band maakten. Hij zegt… dat hij ook mee wil naar huis.”

 

Haar stem sloeg over in een vreemd, laag gemompel. Toen begon ze opnieuw te zingen — “Daar was laatst een meisje loos…” — maar dit keer klonken er twee stemmen tegelijk, één van haarzelf en één donkerder, die als een echo meezong.

De hele familie zat zwijgend in de woonkamer, niemand durfde meer te slapen. De klokken tikten luid, de honden buiten huilden.

Rond drie uur ’s nachts sloeg de wind tegen het huis. De ramen trilden, en de lamp begon zacht te flikkeren. Priya’s moeder sloeg haar armen om zichzelf heen. “We moeten iemand vinden,” zei ze hees. “Voor de ochtend komt.”

Haar broer knikte langzaam. “Ik ken een pandit in Wageningen,” zei hij. “Hij is oud, maar hij kent de oude manieren. Als iemand dit begrijpt, is hij het.” Ze besloten te wachten tot de eerste zonnestralen de lucht raakten. Maar tegen die tijd had niemand in het huis nog een oog dichtgedaan. En Priya? Zij zat nog altijd rechtop, zingend, met een blik die ergens anders heen keek — ver voorbij het huis, ver voorbij de nacht.

 

De zon stond al hoog aan de hemel toen ze eindelijk vertrokken. Priya’s moeder had haar in een eenvoudige witte doek gewikkeld, alsof ze een kind was dat getroost moest worden. Maar Priya was allesbehalve kalm. Zodra ze de auto zag aankomen, begon ze te schreeuwen.

“Niet dáárheen! Hij wacht daar! Hij zit bij het raam!” gilde ze, terwijl ze zich losrukte uit haar vaders armen. Haar stem klonk rauw, haar ogen wijd open van angst.

“Hou haar vast,” zei haar oom, zijn gezicht grauw van spanning. “We moeten dit doen.”


Met moeite kregen ze haar op de achterbank. Haar moeder zat naast haar en hield haar stevig vast terwijl ze heen en weer bewoog, huilend, soms fluisterend in dat vreemde, diepe accent:
“Hij heeft geen schaduw… hij zoekt een naam… hij wil ook weer leven…”

De rit naar Wageningen voelde eindeloos. Geen van hen sprak. De motor bromde traag over de stoffige weg, en telkens als ze langs een rij bomen reden, leek Priya te verstijven, alsof ze iets zag wat de rest niet zag.

 


Toen ze eindelijk aankwamen bij het huis van de pandit, een klein houten huis met gele muren en geurend naar olie en ghee, stond de oude man al buiten. Hij had een dunne witte baard, ogen die te veel wisten, en sprak zacht, zonder begroeting:
“Breng haar binnen. Ik voelde haar komen.”

Binnen brandden olielampen. De pandit zette Priya op een lage stoel en begon te zingen in het Sanskriet. Zijn stem was traag en diep; de lucht leek te trillen van elk woord. Hij strooide water over haar hoofd en maakte cirkels met rook van brandende dhoop.

Priya begon te lachen. Niet haar eigen lach — een zware, mannelijke lach. De pandit keek op, zijn ogen scherp.

“Wie bent u?” vroeg hij streng.

 

De lach stopte abrupt. Priya’s lippen bewogen, maar de stem die eruit kwam was niet de hare:
“Zij keek naar mij. Ik stond daar. Alleen. Lang geleden. Niemand kwam terug.”

 

De pandit sloot zijn ogen en fluisterde een gebed. “Een geest van de weg,” zei hij tenslotte, met een zucht. “Niet kwaad, maar verdwaald. Gebonden aan het licht dat ze zag. Hij volgde haar omdat ze hem hoorde toen niemand anders dat kon.”

Hij vroeg om stilte, nam een schaal met water en bloemen, en begon te reciteren. Er kwam een uitgebreid ritueel dat een poos duurde. De geur van sandelhout vulde de kamer. Priya schokte even, toen nog een keer, en viel toen roerloos voorover.

 

Een windstoot blies door het open raam — koel, bijna bevrijdend.

 

De pandit keek naar haar moeder. “Het is voorbij,” zei hij zacht. “Maar laat haar zeven dagen rusten. En bij zonsondergang mag ze niet meer reizen. Nooit meer.”

Priya’s vader knikte, zijn ogen nat. Buiten was het stil. Alleen de bladeren ritselden, alsof iemand in de verte eindelijk zijn weg had gevonden.


De zon stond laag toen ze de oprit opdraaiden. Het huis leek vredig in het warme avondlicht — alsof de duisternis van de nacht ervoor nooit had bestaan. Priya lag al die tijd stil op de achterbank, haar hoofd leunend tegen het raam, haar adem rustig en gelijkmatig.

“Ze slaapt eindelijk,” fluisterde haar moeder met een glimlach van opluchting. “Misschien is het nu echt voorbij.”

De auto stopte. Bhai Ram stapte uit en opende de deur. Priya opende langzaam haar ogen, keek naar de lucht — en glimlachte. Zonder een woord te zeggen sprong ze uit de auto, draaide een rondje en huppelde richting het huis. Haar jurk wapperde om haar heen, haar vlecht gleed los over haar schouder.

 

“Ze is weer zichzelf,” zei haar vader opgelucht. Hij sloeg een arm om zijn vrouw heen. “De pandit heeft het goed gedaan. Alles is weer goed.”

Binnen, in de woonkamer, stonden nog enkele restanten van het feest. Kleurrijke flessen poeder, halflege glazen, de geur van bloemen die al begonnen te verwelken. Priya huppelde ertussendoor, lachend, alsof ze iets vrolijks in haar hoofd hoorde.

“Daar was laatst een meisje loos… die wou gaan varen, die wou gaan varen…” zong ze met zachte stem.

 

Iedereen glimlachte in eerste instantie — het klonk onschuldig, kinderlijk. Totdat de woorden duidelijker werden, de toon lager, trager.

“Die wou gaan varen, naar verre landen… maar ze verdronk, ze verdronk in de zee…”

De lach verstarde op haar vaders gezicht. Haar moeder zette een stap naar voren. “Priya?” vroeg ze aarzelend.

Priya draaide zich langzaam om. Haar glimlach bleef, maar haar ogen — die ogen die ooit warm en levendig waren — leken weer even leeg, als die nacht bij het licht.

De wind trok zacht langs het huis, door de open ramen, als een fluistering.
En heel even, in het spiegelglas van de vitrinekast, meende haar moeder iets te zien — een vage, donkere gestalte, staand net achter Priya.

Het meisje bleef zacht zingen, haar stem steeds verder vervormend, tot het nauwelijks nog woorden waren.

Buiten kraaide een haan, te vroeg voor de avond.
En binnen wist iedereen: het was nooit echt voorbij geweest.

 

De woonkamer vulde zich met stemmen, gefluister, geschrokken kreten. Iedereen sprak tegelijk, maar niemand durfde te dicht bij haar te komen.

“Ze speelt toneel,” zei haar oom onzeker, zijn stem hoger dan gewoonlijk. “Ze doet alsof… dat moet toch?”

“Priya!” riep haar moeder, wanhopig. “Beti, luister naar mij. Kijk naar mama.”

 

Maar Priya keek niet op. Ze zat op de vloer met een oud poppetje in haar handen — eentje die haar kleine nichtje eerder had laten liggen. Ze bewoog het heen en weer, zacht neuriënd, terwijl ze woorden mompelde die niemand in het huis begreep. Het klonk als een lied, maar de klanken waren vreemd, onwennig, zó Nederlands dat zelfs haar oom, die ooit in Nederland had gestudeerd, moeite had de zinnen te volgen.

“Popje lief, niet huilen hoor… straks gaan we varen, ver, ver weg…”

 

 

Haar vader staarde naar haar. “Ze kán geen Nederlands spreken op deze wijze,” zei hij met gebroken stem. “Thuis sprak ze het nooit, niet zo vloeiend, niet… zo anders.”

Priya bleef op de grond zitten, wiegde zichzelf en zong door. Wanneer iemand probeerde haar aan te raken, trok ze zich terug, als een kind dat bang is voor straf. Haar blik gleed langs iedereen heen, alsof ze door hen heen keek — naar iets of iemand die daar niet hoorde te zijn.

 


Toen haar moeder in tranen uitbarstte, stond haar tante langzaam op. “Pandit of niet,” zei ze zacht maar vastberaden, “dit is niet voorbij. Wat er met haar meegekomen is… woont nog hier. Misschien zelfs ín haar.”

Op dat moment stopte Priya plotseling met zingen. Ze draaide haar hoofd naar de tante, haar ogen groot en leeg. In perfect, helder Nederlands zei ze:
“Hij zegt dat hij hier mag blijven.”

Een huivering ging door de kamer. De ventilator boven hun hoofd kraakte zacht, en buiten begon de wind aan te zwellen, alsof iets meeluisterde.

Niemand wist wat te doen. De moeder zakte op haar knieën, biddend in stilte. De vader liep naar buiten om lucht te happen, maar bleef staan in de deuropening — bang om het huis uit het oog te verliezen.

Binnen zat Priya nog altijd op de vloer. Ze glimlachte flauw, streelde het poppetje over het hoofd en fluisterde, bijna liefdevol:
“We gaan straks weer rijden… naar de weg met het licht…”

 

De volgende ochtend was zwaar en stil. De geur van thee en roti hing in de keuken, maar niemand had eetlust. Alleen het geluid van de lepel die tegen het kopje van Priya’s moeder tikte, verbrak de spanning.



🌺 VOOR VERVOLG: 
               LEES DEEL 2
 
 
⭐️= het verhaal is geplaatst zoals die ontvangen is. 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb