STORY 802: HEBZUCHT OP HET MINISTERIE - DEEL 3

Gepubliceerd op 27 oktober 2025 om 11:01

🟨 Ingezonden door: Janella

     ⚜️HEBZUCHT OP HET MINISTERIE⚜️ – DEEL 3

--------------------------

De nieuwe stoel werd keurig afgeleverd door de heren van de technische dienst. Terwijl zij de oude stoel optilden om hem uit mijn kantoor te dragen, gebeurde er iets dat niemand ooit had kunnen voorspellen.

 

Zodra de stoel van de grond kwam, begon er ineens een stortvloed van muntjes te vallen — dubbeltjes, kwartjes, stuivers — alsof iemand de zitting ermee had volgestouwd. De muntjes kletterden over de tegelvloer, rinkelend als een metalen regenbui. Het geluid vulde de hele ruimte. Iedereen keek verbaasd op. Collega’s kwamen vanachter hun bureaus kijken, gefascineerd door het bizarre schouwspel. Er was niets te zien geweest op het zitvlak van de stoel — geen gleuf, geen opening — en toch kwamen de muntjes uit het niets tevoorschijn. Niet alleen ik heb dit kunnen aanschouwen maar alle collega's op de afdeling. 

 

Een van de mannen van de technische dienst riep verbaasd “Saaaang… wat is dit? Hoe kan dit? Waar komen al die centjes vandaan?”

 

Ik keek hem recht aan en zei kalm maar nadrukkelijk:

“Dat is precies waarom ik die stoel niet meer in mijn buurt wil. Iets klopt hier niet. Haal hem alsjeblieft weg, zo snel mogelijk. Wees voorzichtig want dies na takru sanie!”

 

De man begreep mijn toon. Zonder nog iets te zeggen, pakte hij de ‘wisie-stoel’ op en verliet haastig mijn kantoor. De andere medewerker plaatste de nieuwe stoel, haalde hem netjes uit het plastic en vertrok toen ook.

Ik bleef alleen achter.

 

Bescherming en afwachten:

Ik nam één van mijn lemmetjes, sneed die in tweeën en wreef de helft ervan over mijn bureau en rondom mijn nieuwe stoel. De andere helft perste ik uit op mijn handen en de rest legde ik op de hoek van mijn bureau — als extra bescherming.

 

Daarna ging ik rustig zitten en deed gewoon mijn werk. Maar diep vanbinnen telde ik de minuten. Tien uur was het moment waarop ik de voorgaande dagen altijd ziek werd.

 

Toen het uur verstreek, wachtte ik gespannen af.

 

Lieve mensen van Original Spuku Tori… geloof me — er gebeurde niets. Geen hoofdpijn. Geen duizelingen. Geen misselijkheid. Geen blackout. Ik voelde me sterk, alert, alsof er een last van me was afgevallen. Een golf van opluchting overspoelde me. Voor het eerst in dagen kon ik echt ademhalen en rustig doorgaan met werken. Geen enkele takru sanie heeft mij lastig gevallen. Ik heb na lange tijd weer zo heerlijk kunnen werken. 



De beleefde bezoeker:

Rond het middaguur stond meneer Pawiro ineens in de deuropening van mijn kantoor. Zijn handen in zijn zakken, zijn blik wat schichtig, alsof hij zich geen houding wist te geven. Ik zag in één oogopslag dat hij nerveus was. Hij wist wat hij mij had aangedaan, maar twijfelde of ik dat ook wist. 

 

Ik besloot te doen alsof ik van niets wist.

 

“Goedemiddag, meneer Pawiro,” zei ik vriendelijk. “Kan ik iets voor u doen?”

 

Hij glimlachte gemaakt. “Eh… mevrouw Janella, ik wilde even melden wij van de afdeling zo blij zijn dat u eindelijk weer op het werk bent, we maakten ons een beetje zorgen om u. Maar welkom terug, trouwens ..... mevrouw Yvonne wil jou een bakje eten sturen. Ze heeft pitjil en tahoe longtong gemaakt, en gelooft u mij, het is echt overheerlijk. Ze zei dat u ook ervan moest proeven, maar ze heeft geen extra bakjes. Dus geef mij uw bordje of bakje mee, dan kan ze voor u opscheppen”

 

Ik glimlachte beleefd. “Wat aardig van haar. Bedank haar alsjeblieft namens mij. Maar ik heb mijn eigen eten meegenomen, en ik eet niet veel. Als ik daar nu ook nog van neem, gooi ik mijn eigen lunch weg — en dat vind ik zonde. Maar het is lief dat ze aan me dacht.”

 

Hij drong nog wat aan: “U wilt het echt niet proberen? Al is het maar een klein hapje. Yvonne kookt zo lekker, u zult het heerlijk vinden.”

 

Ik bleef beleefd maar standvastig. “Nee hoor, misschien een andere keer. Ik waardeer het echt, maar vandaag niet.”

 

Hij knikte, zichtbaar teleurgesteld. “Oke… misschien een andere keer dan.”

 

“Ja, wie weet,” antwoordde ik glimlachend. Hij draaide zich langzaam om, bleef nog even staan, alsof hij iets wilde zeggen, maar liep toen toch weg.

 

 

De herhaalde pogingen:

Vanaf die dag kwam hij bijna dagelijks terug — altijd rond lunchtijd, altijd met eten. De ene dag bami met kip, de volgende dag nasi met saté, dan weer sambal goreng boontjes of bruine bonen met zoutvlees. De gerechten roken verrukkelijk, alsof ze rechtstreeks uit een Javaans restaurant kwamen. En ik moet niet liegen, het zag er zeer aantrekkelijk uit. Maar dat was juist het gevaarlijke aan deze mensen, als ik niet beter wist, zou ik van hun handen gegeten hebben en dan was ik nu niet meer op deze aarde. 

 

Ik bleef weigeren, dag na dag. Maar zij gaven niet op.

 

Je zou verwachten dat mensen na herhaald afwijzen beledigd zouden zijn en zouden stoppen. Maar niet deze mensen. Ze bleven vriendelijk glimlachen en boden telkens weer eten aan. Hun volharding was niet normaal — dit had een doel.

 

Ze wilden dat ik at van hun eten. Ze wilden me uitgeschakeld zien.

 

Om niet te veel argwaan te wekken, besloot ik na een tijd het eten toch aan te nemen. Ik deed alsof ik het waardeerde, bedankte ze vriendelijk, en zodra ze mijn kantoor verlieten, gooide ik alles in de vuilnisbak naast mijn bureau.

 

Wanneer de schoonmaakster — een oudere Marronvrouw van rond de vijftig — haar ronde deed, vroeg ik zachtjes:

“Wil je die vuilniszak alsjeblieft meteen buiten zetten? En raak hem niet met je handen aan. Houd hem aan de lusjes vast, ja?”

 

Ze wierp een blik in de prullenbak, zag het eten en begreep het direct. Ze zei niets, maar haar blik sprak boekdelen. Ze zuchtte alleen en zei fluisterend:

“Ai, meh begrijp a torie… joe no moes njang fu no wan sma dya, ding gevaarlijk!”

(Ja, ik begrijp het… je moet niet eten van mensen hier, ze zijn gevaarlijk!)

 

Vanaf dat moment gooide ik stilletjes alles weg. Ze zagen dat ik niet ziek werd, niet zwakker werd, niet doodging — maar ze bleven doorgaan. Hun plan werkte niet, en dat maakte ze alleen maar vastberadener. Ik zag ze elke keer verbaasd kijken en schrikken, als ik s'ochtends fris en vrolijk aan het werk verscheen. Ze zaten te wachten tot het moment aan zou breken, dat ik weer behoorlijk ziek zou worden. En uiteindelijk zou sterven zodat hun mijn positie konden bemachtigen. 

 

 

Het ritueel bij mijn tante:

Dat weekend ging ik naar mijn tante voor een beschermingsritueel. Zij kende de traditionele gebruiken, de oude manieren om onzichtbare/paranormale dingen te onderzoeken en te reinigen.

 

Eerst deed ze een luku — een spiritueel onderzoek — om te zien wat er precies met mij aan de hand was. Daarna volgde een wasie, een ritueel bad met kruiden, bloemen en heilig water.

 

Vooraf moest ik een ei breken, als onderdeel van het ritueel. Maar hoe hard ik ook sloeg, het ei brak niet. Niet op de tafel, niet op de muur — zelfs niet toen ik er al mijn kracht op zette. Het leek van steen gemaakt. Mijn tante keek me strak aan. “Gooi het ei in de lucht en laat het op de grond vallen,” zei ze. Ik deed wat ze zei. Het ei viel met een harde plof… en bleef heel. Geen barst.

 

Ze nam het ei van me over, begon heilig water over me te sprenkelen en mompelde onophoudelijk woorden in een taal die alleen zij begreep. Haar stem veranderde van toon, dieper, krachtiger. De lucht in de kamer leek te trillen van energie.

 

“Ga nu verder met baden,” zei ze. “En als je klaar bent, blaas drie keer op het ei. Noem de naam van degene van wie jij vermoedt dat hij dit jou heeft aangedaan. Daarna probeer je opnieuw het ei te breken.”

 

Ik deed wat ze zei. Ik noemde de naam van meneer Pawiro. En op datzelfde moment — bij de eerste slag — brak het ei open. Het eiwit en eigeel spatten uiteen over de vloer.

 

Ik stond perplex. De bevestiging trof me als een klap in mijn borst. Mijn vermoedens waren waar.

 

Mijn tante keek me ernstig aan en zei zacht:

“Da na ing, ing na a didibri sa beh wang kier joe, dat’s hem. Hij is degene die je kwaad heeft aan gedaan, hij is de demoon die jou wilde doden.”

 

 

De bevestiging:

Ondanks dat ik diep vanbinnen al wist dat hij achter dit alles zat, deed het pijn om het bevestigd te krijgen. Ik voelde verdriet, teleurstelling, maar ook woede.

 

Ik was altijd respectvol tegen hem geweest. Ik had hem behandeld als een oudere collega, met waardigheid. En toch had hij de brutaliteit gehad om me te willen doden — uit pure jaloezie, alleen maar omdat ik mijn werk goed deed en de kans er haast niet bestond dat hij mijn functie binnen die twee resterende jaren zou kunnen bemachtigen. Alleen voor een positie wilde deze man mij van deze aarde halen, zonder genade, zonder enig menselijk gevoel. Terwijl deze man altijd ontzettend aardig was in mijn gezicht, hij glimlachte altijd en maakte grapjes met mij. Een echte slang dus, een giftige slang was hij. 

 

Mijn tante keek me aan en vroeg:

“Wil je dat ik de wisie terugstuur? Mi moes’ sin A takru sani go baka?”

(Wil je dat ik het kwaad terugstuur?)

 

Ik dacht lang na.

Uiteindelijk zei ik “Tante… nee! Ik wil geen bloed aan mijn handen. Als dat kwaad hem niet raakt maar een van zijn kinderen treft, dan zou ik dat mezelf nooit vergeven. Laat God ermee afrekenen.”

 

Ze knikte langzaam. “Mo' yep' yu, maar eigenlijk sa boeng gi Joe boeng gi ding sakka sakka ooktu.”

(Ik zal je helpen, maar wat iemand zaait, zal hij zelf oogsten.)

 

Ze liet me het ritueel afmaken. Het duurde uren, tot de vooravond. Daarna praatten we nog even rustig, en toen ging ik naar huis. Die nacht sliep ik eindelijk weer vredig — diep, zonder angst, zonder onrust.

 

 

De rust keert terug:

De dagen daarna verliepen wonderlijk goed.

Ik voelde me sterk, licht, zorgeloos en beschermd.

 

Op kantoor heerste plots een kalme sfeer. Niemand bood me nog eten aan. Niemand keek me meer met scheve ogen aan. Alsof alle duistere energie uit het gebouw verdwenen was. Zelfs de lucht voelde anders — frisser, lichter, schoon.

 

Pas toen besefte ik hoe zwaar beladen de plek vroeger was. De wasie had niet alleen mij gezuiverd, maar ook mijn werkruimte bevrijd van wat daar had rondgewaaid.

 

De tijd vloog voorbij.

 

 

De straf van hebzucht:

Jaren later, toen meneer Pawiro nog maar twee maanden verwijderd was van zijn pensioen, kreeg ik te horen dat hij een beroerte gehad heeft. Zijn rechterzijde was volledig verlamd.

 

En alsof het lot zijn handtekening nog eens wilde zetten — ook mevrouw Yvonne, die tegelijk met hem met pensioen zou gaan, en een groot feest in verband met haar pensioen aan het voorbereiden was, werd getroffen. Ze kreeg een zware aanval en raakte halfzijdig verlamd.

 

Toen ik het nieuws hoorde, wist ik even niet wat ik moest voelen. Ik was niet blij, maar ik had ook geen medelijden. De waarheid was simpel: wie met duistere krachten werkt, betaalt vroeg of laat de prijs.

 

Ze hadden hun eigen ondergang bezegeld met hun hebzucht. Vandaag zitten ze thuis, in de ziektewet.

Het ministerie draait gewoon door, het werk gaat verder — maar zij zijn uitgeschakeld door hun eigen wisie.

 

De duivel betaalt nooit eerlijk uit.

 

🌸 Dit was mijn ervaring, lieve OST-leden.

In al die jaren op het ministerie heb ik zoveel gezien dat bewijst hoe jaloers, hebzuchtig en wreed mensen kunnen zijn. Misschien vertel ik daar een andere keer meer over — als jullie dat willen.

 

⭐️⭐️ = Herschreven door OST-beheerder Yvanna Hilton

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb