🟧 Ingezonden door: Janella
⚜️HEBZUCHT OP HET MINISTERIE⚜️ – DEEL 2
----------------
Het telefoontje vanuit het ziekenhuis:
Mano belde me alleen maar om te vertellen — en te laten zien — dat hij nog steeds in het ziekenhuis lag. Zijn stem klonk zwak, vol pijn. Hij vertelde dat er talloze buizen in zijn lichaam waren gestoken voor allerlei onderzoeken, maar dat de artsen niets konden vinden. Volgens hun onderzoeken was er absoluut niets mis met zijn gezondheid: zijn bloedwaarden waren goed, zijn organen functioneerden normaal, en alle resultaten wezen op een kerngezond lichaam.
En toch was Mano doodziek. Zijn gezicht was grauw, zijn ogen dof en zijn stem trilde van uitputting. Het was alsof hij elk moment kon sterven. Zo voelde hij zich ook — alsof zijn lichaam langzaam de strijd opgaf. Het was een vreemde en onverklaarbare situatie: je bent half dood, maar volgens de wetenschap mankeert je niets.
Ik was zo emotioneel toen ik zijn stem hoorde. Alleen al dat korte gesprek gaf me hoop, al voelde ik de angst diep in mijn borst. Hij probeerde sterk te blijven, zei dat ik me geen zorgen moest maken, en beloofde me later terug te bellen. We praatten niet lang, want hij had veel pijn en wilde rusten. Ik respecteerde dat, al brak mijn hart toen de lijn werd verbroken. Ik wilde niet neerleggen maar tegelijkertijd wilde ik niet opdringerig zijn en teveel van hem eisen want hij was al zo zwak. Hij kwam trouwens nauwelijks uit zijn woorden alsof ze hem volgepropt hadden met medicatie.
Het verschrikkelijke nieuws:
Een week later…
Mijn telefoon ging. Aan de andere kant klonk de hysterische stem van zijn neef:
“Janella… Mano is er niet meer. Hij is overleden. Hij heeft het gevecht verloren.”
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken. “WAT? Nee… nee, zeg me dat je dit niet meent! Dit kan niet! Hij heeft me beloofd dat alles goed zou komen! Hij zou me terugbellen, hij zou beter worden!” Ik gilde, ik beefde, ik kon het niet bevatten.
Ik huilde als een kind. Alles in mij stortte in. Aan de andere kant van de lijn klonk Delano — stil, gebroken, en ook hij kon zijn tranen niet inhouden. Tussen zijn snikken door fluisterde hij:
“Janella… iemand heeft hem vergiftigd. Ding poison a mang me teygie. Mijn gevoel zegt mij dit! Dit is geen zuivere koffie, ding kier a boi jongu!”
Die woorden bleven in mijn hoofd rondspoken. Ik was te overweldigd door verdriet om door te vragen, maar diep van binnen wist ik al wie dit had kunnen doen.
We spraken nog even — of beter gezegd: we huilden samen. Ik vertelde hem dat ik voorlopig niet terug naar Suriname kon komen. Voor de begrafenis aanwezig zijn, dat zou ik niet aankunnen. Ik zei hem eerlijk dat het me kapot zou maken. Delano begreep het. Hij wist hoeveel Mano voor mij betekende.
Na het gesprek belde ik een vriendin van me — een oudere vrouw die een bloemisterij had. Met trillende stem vertelde ik haar dat mijn beste vriend was overleden en vroeg haar om een prachtige krans te maken voor de uitvaart. Ze moest die bezorgen bij Mano’s woning, waar de rouwstoet zou vertrekken.
Terug naar Suriname:
Weken gingen voorbij. Mijn vakantie liep ten einde en ik moest terug naar Suriname.
De dag na mijn aankomst moest ik meteen weer aan het werk; ik had geen vrije dagen meer. Op een ochtend riep de minister mij bij zich. Hij keek me aan en vroeg:
“Wie is meneer Pawiro eigenlijk?”
Ik antwoordde: “Hij is administratief medewerker op mijn afdeling, meneer.”
De minister fronste. “Doet hij zijn werk goed? Wat voor mens is het? Die man stuurt mij voortdurend brieven met het verzoek om chef van de afdeling te worden. En eerlijk gezegd begrijp ik zijn haast niet. Hij is bijna met pensioen — over twee jaar al. Waarom dan vechten voor zo’n functie? Bovendien… zijn brieven zijn grammaticaal rampzalig. Ik heb zijn dossier bekeken: hij heeft niet eens de MULO afgerond.”
Ik stond perplex. “Dat wist ik niet, meneer. Ik had geen idee dat hij u schreef. Maar als u wilt, kan ik hem wel even naar u toesturen, zodat u persoonlijk met hem kunt praten.”
“Doe dat maar,” zei de minister kortaf.
De gebroken stoel:
Ik liep terug naar mijn afdeling en vertelde meneer Pawiro dat de minister hem wilde spreken. Hij stond haastig op en ging richting het kantoor van de minister. Nog geen tien minuten later was hij alweer terug. Zijn gezicht stond zuur — hij zag er niet bepaald blij uit. Ik kon aan alles zien dat hij nul kans had gehad.
Ik bemoeide me er verder niet mee. Het was niet mijn zaak. Ik deed gewoon mijn werk, zoals altijd.
Tot die bewuste ochtend.
Ik kwam vrolijk binnen, vol energie, maar toen ik mijn kantoor binnenstapte, zag ik dat er een andere bureaustoel achter mijn bureau stond. Ik keek verbaasd rond — dat merkten mijn collega’s meteen.
Een van hen zei: “Ooooh mevrouw Janella, meneer Pawiro was even op uw stoel gaan zitten. En fa a mang bigi — die stoel brak meteen! Hij vond het vervelend en heeft daarom een andere stoel voor u neergezet.”
Ik glimlachte beleefd. “Geen probleem hoor, kan gebeuren.”
Maar diep vanbinnen kookte ik. Wat had hij op mijn plek te zoeken? Toch hield ik me in. Het was overheidseigendom — lanti sani — dus ik wilde geen drama maken. Bovendien was ik de jongste op de afdeling. Ik wilde niet arrogant of respectloos lijken tegenover ouderen. Er gingen al genoeg roddels rond; ik wilde de sfeer niet nog slechter maken.
De ziekte begint:
Toch… die dag veranderde alles.
Kort voor de middag kreeg ik een plotselinge, ondraaglijke hoofdpijn. Mijn hele lichaam begon pijn te doen — mijn armen, mijn benen, mijn buik. Ik begon hevig te transpireren, mijn huid brandde alsof ik in vuur stond. Ik kreeg geen lucht, alles werd zwart voor mijn ogen. Ik verloor het bewustzijn.
Toen ik bij kwam, klopte iemand op de deur. “Janella… Janella!” riep een stem. Het was mevrouw Selly, mijn collega. Ze kwam het kantoor binnen en schudde me door elkaar. “Wat is er met je?!”
Ik haalde moeizaam adem. “Ik weet niet wat er met me aan de hand is… ik voel me vreselijk. Ik ga naar huis.”
Selly keek bezorgd. Ze was een oudere Javaanse vrouw, moeder en oma, altijd trots als ze over haar kinderen en kleinkinderen sprak. Ze had ook weleens meegeroezemoesd met de rest over mij, maar ik wist dat ze niet gemeen was. Ze wilde er gewoon bij horen. In haar hart was ze zorgzaam — ik voelde dat moederlijke in haar blik toen ze me zag wankelen.
Ik nam een taxi naar huis. Daar aangekomen kleedde ik me uit, nam een koude douche en ging meteen naar bed. Ik sliep tot vier uur in de middag. Toen ik wakker werd, voelde ik me weer normaal.
Een terugkerende kwelling:
De volgende dag — donderdag — ging ik opnieuw naar mijn werk. Alles leek goed, ik had ontbeten, een kop koffie gedronken… en niet veel later werd ik plotseling misselijk. Ik moest overgeven, kreeg weer hevige pijn, zag opnieuw alles zwart voor mijn ogen. Wéér een blackout.
Ik moest naar huis worden gebracht.
’s Middags ging ik naar de dokter. Er werd bloed afgenomen, mijn bloeddruk gemeten — alles leek normaal. Er werd zelfs een zwangerschapstest gedaan. De arts zei dat ik de resultaten de volgende dag kon ophalen.
Vrijdagochtend voelde ik me beter. Ik ging opnieuw naar mijn werk, maar nauwelijks een uur later gebeurde hetzelfde. Ziek, zwak, zwetend — alsof ik stierf van binnen. Zodra ik thuis was, voelde ik me wéér normaal.
Ik begon te beseffen dat dit geen toeval kon zijn.
Altijd tussen tien en elf uur. Altijd op het werk. Altijd na dat ik op die stoel zat.
Ik zei tegen mezelf: “Als de dokter niets kan vinden, dan weet ik het zeker. Het is die stoel. Het kan niets anders zijn!”
De tapoe en de droom:
Toen ik mijn uitslag ging ophalen, zei de dokter dat alles perfect in orde was. Geen enkel probleem. Ik glimlachte, maar diep van binnen wist ik dat dit iets anders was.
Thuis dacht ik plots aan mijn ketting — mijn tapoe, mijn spirituele bescherming. Een zilveren ketting met een kleine hartvormige hanger waarin een bolvormig beschermingsmiddel zat. Ik had die ketting al een tijd niet gedragen.
Ik doorzocht mijn hele huis, trok alles overhoop, tot ik hem vond. Zoals mij ooit geleerd was, blies ik er palm over — een reinigend gebed — en deed hem om mijn hals.
Diezelfde nacht had ik een verontrustende droom. Ik werd achternagezeten door een roedel zwarte honden — groot, agressief, grommend, hun ogen roodgloeiend. Ik rende voor mijn leven. Mijn hart bonsde in mijn keel. Ik wist: als ze me te pakken kregen, zouden ze me verscheuren.
Na een lange, uitputtende vlucht kwam ik bij een hoge muur. Met al mijn kracht sprong ik eroverheen. Zodra ik de andere kant bereikte, werd ik wakker — badend in het zweet.
Ik lag stil in bed, verward. Wat betekende deze droom? Ik kon het niet plaatsen, maar ik wist dat het iets met mijn situatie te maken had.
De beslissing:
Die nacht dacht ik lang na. Maandag moest ik weer naar het werk. Wat moest ik doen? Hoe moest ik dit aanpakken?
Ik besloot te vertrouwen op mijn tapoe — dat die me zou beschermen. Voor de zekerheid nam ik ook twee kleine lemmetjes mee, als extra bescherming. Toen ik arriveerde, deed ik alsof alles normaal was. Maar ik besloot één ding: ik zou niet meer op die bewerkte stoel gaan zitten. Die stoel was niet gewoon — die droeg zwarte macht in zich, dat wist ik nu zeker.
Ik liep naar de afdeling Sport en sprak meneer Dirk aan, een vriendelijke collega. “Goedemorgen meneer Dirk, mijn stoel is stuk. Zou ik misschien een andere kunnen krijgen?” vroeg ik luchtig.“Ja hoor, mevrouw Janella,” zei hij vriendelijk. “Ik stuur meteen de heren van de technische dienst. Kijk maar even welk model u wilt, we hebben er genoeg.”
Ik liep met hem mee en zag verschillende stoelen staan, allemaal nieuw, nog in plastic verpakt. Zonder aarzelen wees ik er eentje aan met een stevige rugleuning. “Die wil ik,” zei ik.
En terwijl ik naar mijn kantoor terugliep, voelde ik een vreemde rust over me heen komen — alsof iets in mij wist dat dit nog niet het einde van het verhaal was…
🌺 VOOR VERVOLG:
(LEES DEEL 3)
⭐️⭐️ = Het verhaal is herschreven door OST-beheerder Yvanna Hilton.
Reactie plaatsen
Reacties