STORY 779: DANKZIJ DIE BUITEN MEID - DEEL 2

Gepubliceerd op 29 augustus 2025 om 14:27

🟩 Ingezonden door: W.P

             ⚜️DANKZIJ DIE BUITEN MEID⚜️ DEEL 2

------------------------------

Frisse ochtend OST leden. Ik ga verder met het verhaal over mijn tante. 


Rituelen en teleurstellingen:

Op een dag brachten haar broers en zussen haar naar Republiek, bij een bekende man die culturele rituelen uitvoerde. Ik was er zelf niet bij – zoals altijd had ik “nooit geluk” om zulke dingen mee te maken; ik zat óf op werk óf zat op dat moment in het buitenland.

 

Later hoorde ik dat de familie niet tevreden was met zijn werk. Die man zou zelfs geprobeerd hebben een nicht van mij te versieren, daar ter plekke. Het vertrouwen in hem was meteen verdwenen.

 

Een tijdje leek het beter te gaan met tante Joanna. Ik kookte voor haar wat ze wilde, en we lachten soms samen. Ik zag haar opbloeien. Maar al snel ging het opnieuw bergafwaarts. Haar tanden vielen uit – tanden die altijd sterk waren geweest. Haar haar werd dunner, ze werd zwak en broos. Ze zag er helemaal afgetakeld uit en wij konden niet begrijpen wat er allemaal met haar gebeurde. 

 

Totdat ze uiteindelijk in het ziekenhuis belandde.

 

 

Het ziekenhuis:

In het ziekenhuis klaagde Joanna steeds over hevige buikpijn. Maar de dokters konden niets vinden. Ze lag er meer dan een maand.

 

Ik vond het moeilijk om haar daar te zien liggen, zo mager, zo gebroken. Soms vermeed ik bezoeken omdat ik bang was dat ik mijn woede niet kon beheersen tegenover de daders. Eén van haar broers wilde zelfs de goudsmidzaak van Steven in brand steken, maar anderen hielden hem tegen.

 

Op een dag kwam ik thuis na mijn ochtendshift. Mijn moeder en nicht zaten op het balkon en vertelden me dat tante Joanna had gebeld:

“Stuur me een belkaart… zodat ik vanavond kan bellen. Want met deze buikpijn denk ik niet dat ik tot morgen zal leven.”

 

Mijn hart verstijfde. Ze klonk alsof ze zelf wist dat haar tijd gekomen was. Mijn moeder stuurde het beltegoed. Joanna bedankte nog en zei:

“Het is goed. Ik bel wanneer het zover is.”

 

Rond tien uur ’s avonds zei ik tegen mijn moeder en nicht:

“Laten we gaan, naar tante Joanna.”

Maar ze antwoordden:

“Het is geen bezoektijd. De beveiliging laat ons vast niet binnen.”

 

Even later belde Joanna zelf:

“Kom… het is bijna tijd.”

En ze hing op.

 

We verstijfden. Niemand wist hoe te reageren.

Niet veel later ging de telefoon opnieuw – dit keer het ziekenhuis. Ze vroegen de familie te komen, voor afscheid.

 

Haar laatste woorden:

We haastten ons naar het ziekenhuis. Mijn moeder, mijn nicht en ik. Een vriend reed ons erheen, want geen van ons was in staat om in die toestand achter het stuur te zitten. Het was beter dat iemand die geen directe familie was reed – iemand die kalm kon blijven terwijl ons hart uit elkaar werd gerukt.

 

Toen we aankwamen, liepen we door de gangen van het ziekenhuis. Alles voelde koud en hol. Elke stap dichterbij de zaal waar mijn tante lag, voelde zwaarder. Mijn hart bonsde in mijn keel.

 

En toen zagen we haar.

Ze lag in het ziekenhuisbed, broodmager, haar gezicht ingevallen, haar lichaam zo fragiel dat de slaapjurk van haar afviel. Ze droeg een pamper – dat trotse, zorgzame, altijd verzorgde mens was gereduceerd tot een gebroken lichaam. Het was alsof ik keek naar iemand anders. Dit was niet de tante Joanna die ik kende.

 

Met haar laatste krachten balde ze haar vuist, sloeg op het bed en fluisterde hees maar fel:

“Shit… mo dede… mo dede tidé jongoe…”

(Shit… ik ga dood… ik ga vandaag gewoon dood…)

 

Ze keek ons aan, met grote, verwilderde ogen, en zei:

“Waarom doen jullie die lichten uit? Doe die lichten weer aan!”

 

Het vreemde was, dat alle lichten in de zaal gewoon normaal aan stonden. Mijn nicht en ik braken. We barstten in tranen uit, zo hard dat het door de hele zaal echode. Ik kon niet blijven staan. Ik rende naar het balkon en huilde daar, met een pijn die ik niet eerder gekend had.

 

Even later kwam mijn nicht naar me toe, haar gezicht nat van tranen. Ze fluisterde:

“Het is voorbij, ..... Tante Joanna is dood…”

 

Ik schreeuwde, woedend, alsof ik de hele wereld de schuld gaf. “Ik weet het!!!” riep ik, terwijl de tranen mijn keel dichtknepen. We knuffelden elkaar, probeerden elkaar te troosten, maar niets hielp. Het verdriet was te groot. Ik maakte me los, liep huilend de trap af, alleen het stille ziekenhuis uit, de straat op. Ik kon het niet verdragen om nog langer in die zaal te blijven. Ik voelde me leeg, kapot, alsof er een deel van mij was gestorven met haar.

 

In de auto van de vriend die ons had gebracht, zakte ik huilend ineen. Zonder een woord te zeggen reed hij ons naar het ouderlijk huis van mijn moeder – het huis waar mijn lieve tante Joanna voor het laatst had gewoond.

 

Toen we aankwamen, bleek er geen stroom te zijn. In een situatie als deze voelde dat extra sinister. Alsof de duisternis ons opwachtte. We maakten iedereen wakker in het huis en wachtten op de rest van de familie. Wat mij het meest pijn deed: Steven, haar man, was er niet. Hij liet zich nergens zien. En haar dochter – haar enige dochter, haar alles – kwam ook niet.

 

De reden? Haar schoonmoeder, een bosland-creoolse vrouw, had haar verboden haar moeder te bezoeken. Ze was destijds zwanger, en die schoonmoeder had gezegd dat het ongeluk zou brengen als ze naar haar stervende moeder ging. En ze luisterde, ervan uitgaande dat haar schoonmoeder een wijze vrouw was en veel wist van cultuur. 

 

Zelfs bij de begrafenis kwam ze niet. Geen afscheid, niets. Het enige wat ze deed, was haar eigen moeder negeren in de meest pijnlijke en meest eenzame dagen van haar leven. Toen die schoonmoeder op de dag van de dede oso bij de poort verscheen, hebben mijn oom en mijn moeder haar tegengehouden. Ze mocht het erf niet op. “Je hebt ons nichtje verboden afscheid te nemen van haar eigen moeder. Blijf weg.” Ze stuurden haar terug.

 

De begrafenis:

De begrafenis verliep rustig, maar zwaar. Iedereen voelde dat dit geen natuurlijke dood was. Het verdriet hing als een loodzware last in de lucht. We brachten tante Joanna naar haar laatste rustplaats. Ik keek naar de kist die langzaam zakte en dacht: Dit had niet zo moeten eindigen. Niet zo. Niet voor iemand zoals zij.

 

Na haar dood nam het lot wraak. Alles wat Steven en die schoonmaakster hadden opgebouwd, stortte in. Binnen een jaar was hij failliet. Zijn goudsmid, zijn nachtclub, zijn auto’s – alles weg. De schoonmaakster was verdwenen omdat het geld op was. Hij telde dus niet meer, en de enige reden dat ze met hem was, was de rijkdom die hij eens bezat. 

 

Steven bleef berooid achter. Mijn zusjes kwamen hem later nog tegen; hij huilde voor hen, met hangende pootjes vertelde hoeveel spijt hij had. Hoe hij God in zijn leven had toegelaten. Hoe hij zich schaamde voor wat hij Joanna had aangedaan. Maar het was natuurlijk al te laat, hij had lekker genoten de tijd van zijn leven gehad en toen bleek dat het gras aan de andere zijde niet groener was zoals mannen vaak denken, dan had hij ineens spijt van zijn daden. Was het anders gelopen, en zou hij zijn geld niet kwijtgeraakt zijn, dan had hij misschien nooit spijt gehad. 

 

Ik zag hem zelf een paar maanden geleden. Hij stond onder het afdak van een winkel, maar wat rond te hangen, iets wat hij vroeger nooit gedaan zou hebben, dat was destijds iets beneden zijn niveau. Hij leek nu een gebroken man. Ik reed voorbij en keek naar hem. Hij herkende me niet eens.


 

Het oordeel van de mensen: 

Een half jaar na Joanna’s dood stond ik bij een dede oso in Combe. Een oudere man kwam naar me toe en vroeg in het Aucaans:

“Ben jij niet de dochter van Steven?”

 

Ik zei nee, maar diep vanbinnen wist ik dat hij mij verwarde met Joanna’s dochter – we lijken erg op elkaar. Toen ik vertelde dat ik de nicht was van Joanna, begon de man te juichen.

 

Hij vertelde hoe hij had gezien dat Joanna altijd achter Steven had gestaan, dat zijn succes aan háár te danken was. Zij had het geld en de steun gegeven waarmee hij groot was geworden. En hoe vaak hij Steven had gewaarschuwd om haar niet slecht te behandelen – maar Steven had niet geluisterd.

 

Die Javaanse vrouw, Barbara, de schoonmaakster, had hem volledig in haar greep met wisi. Ze nam hem mee naar allerlei wasi’s, naar bonumangs, naar wisi mangs en vervolgens naar andere culturele mensen, ook naar casino’s waar ze zijn geld opmaakte. Ze strooide letterlijk met geld en moest van alles het duurste hebben. Ze had de dikste gouden sieraden aan, van kop tot teen in het goud gehuld. Kleren van de duurste merken, een ieder moest zien dat ze nu een vrouw van klasse was. Ze reed elke dure auto die ze Steven liet aanschaffen maar voor korte tijd en wilde die dan inwisselen voor een andere nieuwe waar ze haar ogen op had laten vallen. Ze was gewoon een hebberige hebzuchtige gemene vrouw, die meedogenloos was. 

 

Steven kon het niet inzien – hij zat vast in haar net van magie. Zij had zijn ogen 'gesloten', Ze had letterlijk alles eraan gedaan om deze man onder een zware kroi te plaatsen. Ze had hem onder haar voet, wat zij wilde deed hij ook.


Maar niemand hoefde medelijden met hem te hebben. zo onschuldig was hij niet. Want Barbara kon hem alleen kroi'en omdat hij zelf besloot vreemd te gaan. Zo had ze toegang tot zijn persoonlijke spullen, zoals zijn haarkam met haar eraan, zijn gebruikte slippers, zijn gedragen ondergoed en zijn gebruikte tandenborstel. Dit zijn enorm belangrijke benodigdheden bij een kroi. Als een man zichzelf gewillig brengt om vreemd te gaan, moet hij naderhand niet schrikken als een vrouw met verkeerde bedoelingen hem besluit te krooien. 

 

Pas toen het te laat was, gingen zijn ogen open.

 

 

De familie: 

Wat Joanna’s dochter betreft – ze kreeg later acht kinderen. Twee daarvan lijken sprekend op onze familie: één op Joanna, en één op mij. Toen ik haar eens tegenkwam op mijn werk, vroeg ze mijn nummer. Af en toe sturen we elkaar berichtjes. Maar de energie van vroeger, van de tijd dat ik nog met haar moeder lachte, voel ik niet meer. Het is alsof ze een vreemde is.

 

En Jellissa – mijn vroegere collega, de nicht van die schoonmaakster – leeft niet meer. Ze werd door haar vriend mishandeld, belandde in het ziekenhuis en stierf daar.

 

Die schoonmaakster zelf? Ik hoor dat Barbara haar leven een complete chaos geworden is. Het gaat echt niet goed met haar. Ze leeft als een junk, ziet er ook uit als eentje. Ze zwerft van casino naar casino. Maar ik heb haar al jaren niet meer gezien. Misschien zou ik haar niet eens meer herkennen. Al het geld wat ze overgehouden had aan de relatie met die man is verbrast, er rustte duidelijk geen zegen op het geld. De manier hoe ze het leven en huis van een andere vrouw kapot gemaakt had, zorgde ervoor dat er ook geen zegen kwam in het leven van Barbara. Alles wat fout kon gaan is ook werkelijk fout gegaan. Niet alleen bij Steven maar ook bij haar, heeft karma zijn werk gedaan. Alles wat je een ander aan doet, zal zich op een dag meervoudig keren tegen jou. 

 

 

Epiloog: 

Tante Joanna was een zacht mens. Ze maakte nooit ruzie, gaf mensen zelfs gelijk als ze ongelijk hadden, gewoon om de vrede te bewaren. Ze verdiende een lang, gelukkig leven – maar wisi, jaloezie, hebzucht en verraad hebben haar weggerukt.


Mensen, onderschat nooit wat wisie allemaal aan kan richten. 



Moge haar ziel rusten in vrede. 🌸🙏

Amen.

 


⭐️⭐️= het verhaal is herschreven door de OST beheerder Yvanna Hilton. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb