🟨 Ingezonden door: Anoniempje
⚜️IK ZOU MIJN LEVEN GEVEN⚜️ DEEL 2
----------------
De klok sloeg 03:00. De meeste mensen lagen te slapen onder hun muskietennetten, het geluid van krekels vermengde zich met het gezoem van ventilatoren. Maar in het huis van mevrouw Dongo, diep in de stille straat van Geyersvlijt, was er géén rust. Daar was mevrouw Dongo druk in de weer met haar wisie (zwarte magie) praktijken.
Dinotra zat op de grond precies tegenover haar moeder, met haar benen gekruist. Ze droeg een witte doek om haar middel en haar haren waren strak naar achteren gevlochten. Voor haar moeder, die in trance bewoog alsof ze bezeten was, lagen drie foto’s: eentje van Sherney, eentje van Latifah en eentje van Dinotra zelf — als afweer, om haar te beschermen tegen de terugslag.
Op de vloer was een cirkel van zout gestrooid, met in het midden een kalebas gevuld met water uit de Saramaccarivier, door iemand uit het binnenland speciaal gehaald voor dit ritueel. Naast het water lagen de voorwerpen die nodig waren voor het werk:
• Een gebroken kam van Sherney (die Dinotra ooit had geleend en nooit had teruggegeven)
• Een pluk haar, stiekem uit Latifah’s haarborstel gehaald tijdens een logeerpartij
• En een doopkaart van Dinotra zelf, als offer voor bescherming.
Haar moeder zong laag en ritmisch in het Sranan Tongo, een lied dat zelfs de ramen deed trillen.
“bakru, kon teki a sabi. Teki a stem. Teki a libi. Mi e gi yu wan pikin, fa mi ati firi.”
(Bakru, kom en neem de kennis. Neem de stem. Neem het leven. Ik geef je een kind, voor de pijn in mijn hart.)
Haar stem werd schor, haar lichaam bewoog alsof het door onzichtbare handen werd geleid. Ze trok een mes, sneed met één soepele beweging in haar handpalm en liet het bloed vallen in de kalebas. De vlam doofde onmiddellijk. De kamer werd koud. IJzig koud. Ondanks de hitte buiten, zag Dinotra haar eigen adem in wolkjes uit haar neus komen. De geesten waren gearriveerd. ‘Of waren het demonen?’ Vroeg Dinotra zich af.
Haar moeder viel achterover, haar ogen draaiden weg en werden compleet wit. Een diepe enge stem, die niet van haarzelf kon zijn, sprak door haar moeder heen:
“A sma disi wi moesoe faya… gi mi wan odi. Tapu mi ede. Bribi mi na ini yu skin.”
(Diegene die wij moeten verbranden… geef me een bevel. Raak mijn hoofd aan. Draag mij in je ziel.)
Dinotra kroop trillend naar voren, haar hand uitgestrekt.
“Sherney,” fluisterde ze.
“A wan disi e broko mi. A wan disi e teki mi glans. Ai teki ala mi prakseri èn fri fu mi. Mek a no ben ede… meki a no si morro djugu djugu na libi fu a kondre.”
(Die ene maakt me kapot. Ze neemt mijn glans. Mijn vrijheid. Laat haar geen licht meer zien… laat haar geen succes meer ervaren in dit leven.)
Dinotra drukte haar hand op het voorhoofd van haar moeder — of liever gezegd, op het voorhoofd van de entiteit wat haar moeder op dat moment bezeten had. De ‘wroko’ was gedaan en zij had haar wensen kenbaar gemaakt.
De entiteit(en) zouden nu hun werk doen…..
⸻
EEN WEEK LATER....
De begrafeniszaal van Paramaribo Noord was gevuld met gezichten van ongeloof, wanhoop en tranen. Aan de voorkant van de zaal stond een witte kist, versierd met bloemen, foto’s, en een gouden lint waarop stond:
“Rust zacht, Sherney Waterberg – 1999–2023.”
Dinotra zat op de eerste rij. Haar handen klemden een nat papieren zakdoekje. Maar haar gezicht was koud. Niet één traan. Tussendoor perste ze de natte zakdoek uit zodat er 'tranen' over haar wangen gleden als toevallig iemand in haar richting keek. Haar ogen staarden naar niets. Wat niemand wist, was dat zij het was die de dood had gestuurd — en dat ze zichzelf voor geschoven had als spreker op de begrafenis. Onder het mom van goede vriendin wilde zij graag haar zegje doen.
Toen ze op het podium stapte, viel de zaal stil. Zelfs het zoemen van de airco leek te verdwijnen.
“Sherney was meer dan een vriendin,” begon ze.
“Ze was een ster. Iemand die straalde en overal aandacht kreeg waar ze maar kwam. Niet alleen onder de dames, maar ook elke heer die haar zag werd verliefd op haar. Ze hoefde er niet eens aandacht voor te doen, zij was uniek. Beauty with brains, die ook altijd zichzelf wegcijferde om anderen blij te maken. Iemand die altijd anderen op de eerste plaats zette. Haar lach… haar lach zal voor altijd bij ons blijven. Ze heeft veel voor me betekend…”
Toen haperde haar stem. Niet omdat ze emotioneel werd — maar omdat ze ineens iets zag.
Achter in de zaal, tussen de mensen, stond… Sherney.
Niet haar lichaam. Niet een dubbelganger. Maar een vaag, wazig beeld. Als een reflectie in een mistige spiegel. Haar gezicht was vervormd. Verdrietig. En haar ogen? Die staarden rechtstreeks naar Dinotra’s, alsof ze dwars door haar ziel keek. Dinotra hapte naar adem, struikelde bijna van het podium. Niemand anders leek het te zien. Ze herstelde zichzelf, mompelde zenuwachtig iets, en ging snel weer zitten.
Maar de geest verdween niet.
Het bleef haar maar de hele dienst aankijken.
⸻
DE DAGEN ERNA …..
Elke nacht droomde Dinotra van Sherney. In haar dromen stond ze aan het voeteneinde van haar bed, stilzwijgend, starend. In een van de dromen kwam ze dichterbij. Ze fluisterde in haar oor:
“Mi no dede fu soso. A libi disi, mi no mang gwe lib ing. A yorka e kon baka.”
(Ik ben niet zomaar dood. Dit leven… kan ik niet loslaten. De geest keert terug.)
Dinotra werd elke ochtend wakker in het zweet, met krabsporen op haar rug alsof iemand haar met hele scherpe nagels had bewerkt. Ook haar moeder werd bleker met de dag, ze zag eruit alsof het ook niet echt goed met haar ging. De culturele 'bescherming' die haar moeder voorbereid had tegen het kwade, werkte niet meer zoals eerst.
“Oe tek’ wan sma sa no ben deh fu teki.”
(We hebben iemand genomen die niet voor ons bedoeld was.)
Dat fluisterde haar moeder op een nacht, terwijl ze met lege ogen naar haar zwarte magie altaar staarde.
Dinotra begon te twijfelen. Ze had wraak gewild. Straf. Maar dit? Dit was… anders. Haar moeder die altijd precies wist wat ze deed op het gebied van zwarte magie, leek nu ineens zwak te worden. Haar moeder die nergens bang voor was en onder de ‘culturele werkers’ de beste van de beste was, leek nu ‘onder aanval’ te liggen van iets spiritueel. Tenminste zo leek het, want haar moeder zag er fragiel, moe en bleek uit sinds ze dit ‘werkje’ gedaan had om haar vriendinnen uit te schakelen. De oorzaak was niet duidelijk.
En alsof het lot niet genoeg had geoogst, begon Latifah tekenen van geestelijke instorting te vertonen. Op haar werk begon ze wartaal te spreken. Ze lachte oncontroleerbaar, hoorde stemmen. Ze zat lange gesprekken te voeren tegen zichzelf, soms zat ze tegen onzichtbare 'mensen' te praten. Ze werd op een dag naakt gevonden in de keuken van haar ouders, starend naar het vuur van het fornuis, met een schaar in haar hand. Ze was duidelijk van plan zichzelf iets vreselijks aan te doen.
Ze werd met spoed opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis.
⸻
Dinotra probeerde het te negeren. Ze hield zich vast aan haar diploma, aan de stilte, aan de façade. Maar binnenin gierde een orkaan van verwarring en emoties. Haar nagels werden zwart, een verklaring hiervoor konden artsen niet vinden. Haar ogen rood door slapeloosheid. Overal waar zij en haar moeder kwamen, hoorden ze aanhoudende roddels en gefluister vanwege haar uiterlijk.
Regelmatig hoorde ze s'nachts de stem van haar overleden vriendin
“Fu Saide yu no ben stop?”
(Waarom ben je niet gestopt?)
Op een nacht, precies om 03:00, ging haar slaapkamerdeur krakend uit zichzelf open, de deurhendel ging omlaag maar er was daar niemand. Enkele kaarsen bij het altaar in de slaapkamer, geplaatst door haar moeder, vielen allemaal om. En in haar spiegel…
zag ze Sherney.
Niet als een ‘normale’ geest, met haar ‘normaal’ uiterlijk.
Maar als een verbrand lichaam, met lege oogkassen, die haar recht aankeek en één woord fluisterde:
“Mi kon’Baka!!”
(Ik ben terug!!)
VOOR VERVOLG:
LEES DEEL 3
⭐️⭐️= het verhaal is herschreven door de OST beheerder Yvanna Hilton.
Reactie plaatsen
Reacties