STORY 751: NIEUWSGIERIGHEID VAN HEM - DEEL 2

Gepubliceerd op 19 juni 2025 om 12:19

🟫 Ingezonden door: Fahranaz H 

      ⚜️NIEUWSGIERIGHEID VAN HEM – DEEL 2⚜️

---------------

Ik heb mijn ervaring bewust opgesplitst in twee delen, omdat ik aanvankelijk gedacht had, na de ervaring met de 'kinderen', dat het afgelopen zou zijn. Omdat het een hele poos rustig was alsof niks gebeurd was.

 

Maar niks was minder waar....

Wij waren ongeveer vier maanden verder, in het jaar 2021, sinds die ijzingwekkende nacht, waarin mijn partner en ik een groep giegelende kinderen door onze stille straat zagen lopen — midden in de lockdown, midden in de nacht. We waren ervan overtuigd dat het geen gewone kinderen waren. Ze verschenen uit het niets, liepen richting het erf van de overleden vrouw verderop, en leken daarna op te lossen in de duisternis alsof ze nooit bestaan hadden.

 

We hebben sindsdien geprobeerd om het voorval te vergeten. We praatten er amper over. Alsof het hardop uitspreken de dingen erger zou maken — alsof het hen zou terugroepen. Maar je weet hoe het gaat met dingen die ongezegd blijven: ze groeien. En ze vinden hun weg terug naar je. Hoe dan ook.

 

Wat begon met honden die af en toe huilden, werd al snel een wekelijkse herhaling van die mysterieuze gebeurtenissen. Elke woensdag, stipt rond half drie ’s nachts, begonnen de honden opnieuw te jammeren. Eerst die van ons. Toen die van de buren. En dan, alsof het een signaal was, werd de straat gevuld met een korte bries… die nergens vandaan kwam. IJzig en zwaar. Als een adem uit een andere wereld.

 

Maar wat me pas écht angst inboezemde, gebeurde afgelopen woensdag.

 

Die dag begon rustig. Te rustig. Ik voelde de hele dag al iets drukkends op mijn borstkas. Alsof ik niet volledig kon ademen. Mijn partner merkte het ook. We zeiden weinig tegen elkaar, maar we voelden het beiden. Die spanning die in de lucht hing. Iets naderde.

 

Rond tien uur ’s avonds lag ik al in bed, maar ik kon mijn ogen niet sluiten. Mijn lichaam voelde alert, mijn zintuigen overprikkeld. Alles leek luider dan normaal — het tikken van de klok, het ruisen van de ventilator, het zachte gekraak van het houten dak. Mijn partner lag naast me, te woelen, zwetend. En toen gebeurde het.

 

Een doffe klop.

 

Eén enkele klop. Niet aan de voordeur, niet aan het raam. Maar van binnen het huis. Alsof iemand op de vloer tikte. Onder het bed. We bleven stokstijf liggen. Geen van ons durfde te bewegen.

 

Toen, opnieuw:

Klop. Klop. Klop.

 

Het geluid bewoog. Langzaam. Van de slaapkamerdeur naar de gang. Alsof iemand met blote voeten heel voorzichtig over de houten vloer liep. Mijn adem stokte. Hij kneep mijn hand fijn.

 

“Mi wan loekoe,” fluisterde hij.

“Nee,” siste ik terug. “Je gaat niet weer loeren. Laat het met rust.”

“Yu no moes' fu loekoe… Yu e wakti sani, sa no deh gi sma ai… Yu o jere en sji san' sa ie no wani.”

(“Je moest niet kijken… Je wacht nu op iets wat niet voor mensen bedoeld is… Je zult horen/zien wat niet gehoord/gezien mag worden.”)

 

Maar nieuwsgierigheid is zijn zwakte, hij denkt voor alles een logische verklaring te kunnen vinden. Net als de vorige keer stond hij op. Tegen mijn smeekbedes in sloop hij naar het raam dat uitkijkt op de straat. Hij tuurde naar buiten, de jaloezieën amper opzij geschoven.Toen draaide hij zich abrupt naar me om. Zijn gezicht was krijtwit. Hij had zijn stem niet eens nodig. Zijn blik zei genoeg.

 

“Ze zijn terug,” fluisterde hij met droge keel. “Maar… ze zijn niet meer alleen.”

 

Mijn hart bonkte in mijn keel. Wat bedoelde hij?

“Wat bedoel je?” vroeg ik.

“Er… er is iets met hen. Iets dat… dat hen volgt. Iets groters. Iets zwarts. Het hangt boven hen, als een soort… schaduw.”

 

Ik liep voorzichtig naar hem toe en keek ook door het raam. En wat ik toen zag, had ik liever nooit willen zien.

 

Een groep kinderen, weer giechelend, dansend, draaide in cirkels midden op straat. Maar dit keer waren hun bewegingen vreemd. Onnatuurlijk. Hun gezichten waren wazig, alsof je keek naar een schim onder water. En daarboven… daarboven zweefde iets. Groot. Vormloos. Donkerder dan donker. Het leek hun leider, of hun herder. En telkens wanneer een kind stilhield, streek dat wezen zacht over hun hoofd met een lange, kromme arm die uit de lucht leek te groeien.

 

We sprongen tegelijk achteruit van het raam.

“Ik ga het huis reinigen,” riep mijn partner.

“Met wat? Winti? Gebed? Wierook?” riep ik paniekerig.

“Alles,” zei hij. “Ik wacht niet tot ze binnen zijn.”

 

Hij haalde witte kaarsen, zeezout, basilicum en heilig water van zijn moeder. We brandden ze allemaal tegelijk, sprenkelden het water op ramen en deuren, tekenden kruisen boven de ingang.

 

En toen… rond drie uur… viel alles ineens stil.

 

De kinderen verdwenen. De schaduw loste op. De lucht voelde plots weer normaal. Alsof iemand een zware deken van ons huis had gehaald. We vielen in een onrustige slaap, uitgeput van angst.

 

Maar de volgende ochtend, toen ik naar buiten stapte om het erf op te ruimen, zag ik iets in de aarde bij onze poort.

 

Kleine voetafdrukken.

Van kinderen.

En één grote, brede afdruk… zonder vorm. Alleen diepte.

 

Alsof iets daar heeft gestaan.

En keek.

En wachtte.....

Het was gewoon om kippenvel van te krijgen.

 


Na de nacht van de kinderen en de schaduw, was slapen geen vanzelfsprekende handeling meer. Het bed voelde niet langer als een veilige plek — het voelde als een val, een plek waar je jezelf overgeeft aan iets wat je niet kunt controleren. Iets wat kijkt. Wat wacht. Wat herkent dat jij het was die keek toen je dat niet had moeten doen.

 

Mijn partner — de nieuwsgierige, koppige man die altijd alles wilde piep loekoe — was veranderd. Zijn gezicht stond strakker, zijn ogen dieper. Hij sprak minder. Hij sliep lichter. En steeds, telkens als hij zijn ogen sloot, begon hij te dromen.

 

Maar het waren geen gewone dromen. Hij werd ’s nachts badend in het zweet wakker, zijn lichaam trillend, zijn handen klam van angst. Soms schreeuwde hij iets in een taal die ik niet kende. Soms sprak hij woorden achterstevoren, of maakte geluiden die niet menselijk klonken. Hij herinnerde zich zelden iets, behalve één droom die bleef terugkomen.

 

“Ik sta op het erf van die overleden vrouw,” zei hij op een ochtend. “Maar het erf is veranderd. Alles is zwart. De aarde is modderig, maar het voelt als vlees. De kinderen dansen om mij heen. Ze lachen niet meer… ze zingen. Maar ik begrijp hun lied niet. En daarachter, achter hen, staat een vrouw. Ze heeft geen gezicht. Alleen een mond. En die mond lacht. Breed. Zwart. En dan… dan wijst ze naar mij. Elke keer opnieuw.”

 

Ik wist: dit ging dieper. Dit was niet meer zomaar iets raars dat toevallig bij ons gebeurde. Dit was iets dat ons huis, ons leven, was binnengedrongen.

 

Ik besloot dat het genoeg was. De reiniging die we zelf deden had maar tijdelijk effect gehad. We hadden iets gezien dat niet voor mensenogen bestemd was, en die ene blik had deuren geopend die niet zomaar gesloten konden worden. We hadden iemand nodig die wist wat dit was. Iemand die tussen beide werelden kon wandelen. Iemand met kracht.

 

Ik dacht meteen aan Tamara (*niet de werkelijke naam). Een oude duman (spirituele vrouw) in Tamanredjo die ik jaren geleden via een nichtje had ontmoet. Ze stond bekend om haar gave om met de doden en de onzichtbare wereld te communiceren, met andere bonumangs te onderhandelen indien dit nodig zou zijn, en met 'dede tori' te bemiddelen. Ze was berucht en gerespecteerd. Iedereen die bij haar kwam, kwam alleen als ze écht geen uitweg meer zagen. Ik voelde dat dit zo’n moment was.

 

Toen we bij haar erf aankwamen, stond ze ons al op te wachten. Alsof ze wist dat we zouden komen.

 

“Yu si sani no fu si,” zei ze onmiddellijk toen we haar begroetten.

(“Jullie hebben iets gezien dat niet gezien mocht worden.”)

 

Mijn partner kon alleen knikken. Zijn lippen trilden.

 

“Kom binnen,” zei ze. “A no wan tori disi. A wan padie. En un abi fu kon na so far fu begi… tjar’ a dede go baka.”

(“Dit is geen verhaal. Het is een pad. En jullie zijn gekomen om te smeken… om de doden terug te brengen.”)

 

Binnen rook het naar rookhout en gedroogde kruiden. De muren waren bedekt met vodden in zwart, rood en wit. Midden in de kamer stond een ronde schaal gevuld met water, omringd door zeven witte kaarsen. Op de vloer lagen bonen, gebroken spiegels, en kippenveren. Ze leidde ons naar het midden en begon te zingen. Haar stem veranderde. De kamer voelde alsof hij zich samenkneep. De lucht werd zwaar. Dikker dan adem.

 

Toen zei ze:

 

“A no pikin dem fu libi. A na pikin dem fu dede. Yu wakti den. En den kom fu teki yu.”

(“Dat zijn geen kinderen van het leven. Het zijn kinderen van de dood. Jij keek naar hen. En nu willen ze jou.”)

 

Mijn partner begon te beven.

 

Tamara bereidde een ritueel voor dat drie dagen zou duren. Ze waarschuwde ons: “Yu no musu puru tapu a doro. No e sribi. No e loekoe. En no e taki wan wroko foe wan sma dede.”

(“Je mag de deur niet openen. Niet slapen. Niet kijken. En geen enkele naam noemen van iemand die overleden is.”)

 

De eerste nacht bleef stil. We bleven binnen, dronken thee van sopropo en ansopati, en baden in stilte. Maar de tweede nacht — toen begon de hel.

 

Rond drie uur begon het gehuil weer. Maar dit keer… kwam het van binnen het huis.

 

We hoorden zachte voetstappen op de vloer. Er klonken kinderstemmen vanuit de muur. Eén stem riep:

 

“Un e kom fu spei.”

(“We komen spelen.”)

 

Toen bonkte iets op de ramen. En toen de deuren. Er werd gekrabd, zachtjes geklopt, en dan ineens: gegil. Niet menselijk. Niet kinderlijk. Maar oud. Diep. Verdorven. Iets dat ooit een mens was, maar dat nu iets anders was geworden.

 

Tamara zong, krachtiger dan ooit. Haar stem sloeg over, maar haar woorden bleven vloeien als vuur. Ze offerde een witte haan. Het bloed liet ze druppelen in de schaal. En toen gebeurde het.

 

Mijn partner viel achterover. Zijn ogen draaiden weg. Zijn lichaam schokte alsof iets hem overnam. Tamara gilde:

“No kiri hem! No taki n’a foe den! A foe den!”

(“Dood hem niet! Spreek niet! Hij is van hen!”)

 

We hielden hem vast. Zijn lichaam kromp en strekte zich, alsof zijn botten zich verzetten. En toen… kwam hij tot rust.

 

De derde dag was hij stil. Hij at niet, dronk niet. Alleen fluisterde hij soms. Woorden die ik niet begreep.

 

Toen, bij zonsondergang, zei Tamara:

“Un e go na wan lasi bakase. A soro musu krin. A dede musu wakti. A ati musu drai.”

(“We gaan naar de laatste poort. Het verdriet moet schoon. De doden moeten wachten. Het hart moet draaien.”)

 

Ze bracht ons naar het erf van de overleden vrouw.

 

Daar begroef ze de overblijfselen van het ritueel: het bloed, de veren, het zout, een doek met haar naam erop, en de gebroken spiegel.

 

Toen zong ze haar laatste lied. Stil. Traag. Droevig.

 

De wind blies plotseling op. De lucht werd zwaar. En toen… voelde ik het. Alsof een koord werd doorgesneden.

 

De kinderen waren weg. De schaduw was weg. Alles was… stil.

 

Weken zijn verstreken. Mijn partner is weer zichzelf. Hij slaapt weer. Hij lacht weer. Maar iets is anders. In ons allebei.

 

Soms ruiken we nog een vlaag rookhout zonder dat we iets branden. Soms horen we ’s avonds een schaduw lachen aan de overkant van de straat. Soms blijft de wind ineens hangen voor de deur.

 

Maar we kijken niet meer.

We praten er niet meer over.

 

Tot gisteren.

 

Toen ik de vloer dweilde, zag ik het.

In modder, met een kleine kinderhand geschreven:

 

“Un e gi yu pardon. Ma no e piep moro.”

(“We vergeven je. Maar kijk nooit meer.”)

 


                 EINDE VAN MIJN ERVARING

 

 

🙏 Heb jij ook iets gezien wat niemand zou mogen zien? OST luistert. En misschien… herschrijf ik ook jouw verhaal.

 

⭐️⭐️ Herschreven door: OST-beheerder Yvanna Hilton

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.