STORY 800: HEBZUCHT OP HET MINISTERIE - DEEL 1

Gepubliceerd op 21 oktober 2025 om 15:48

🟥 Ingezonden door: Janella

        ⚜️HEBZUCHT OP HET MINISTERIE⚜️ DEEL 1
--------------------------

Goedemorgen lieve OST familie, ik wil mijn persoonlijke ervaring met jullie delen. Het verhaal is best lang, maar ik doe mijn best het in te korten en het tegelijkertijd toch nog duidelijk te houden voor jullie. 

De namen in mijn ervaring zijn veranderd om herkenning te voorkomen, dus aub begrip daarvoor. Ook 'mijn' naam aan de bovenkant van dit verhaal is niet mijn werkelijke naam. 

 

Een nieuwe start:

Het was een frisse ochtend toen ik voor het eerst mijn intrede deed bij de overheid in Paramaribo. Ik was toen vierentwintig jaar oud — jong, ambitieus, maar ook een tikkeltje gereserveerd. In die tijd bestond het personeelsbestand grotendeels uit Javanen en boslandcreolen; andere bevolkingsgroepen waren in de minderheid en dat was duidelijk merkbaar. Je zag ze nauwelijks, en als ze er al waren, vielen ze op.

 

Ik ben nooit iemand geweest die snel vrienden maakt. Toch was er een groep jonge mannen van de afdeling Voorlichting die koste wat kost vriendschap met mij wilden sluiten. Aanvankelijk werkte ik bij Algemene Zaken, maar niet lang daarna werd ik overgeplaatst naar het secretariaat van de directeur van het ministerie. Toen die directeur plotseling werd ontheven, nam een andere man zijn plaats in — een bekende, pientere Hindostaanse heer met een lichamelijke beperking. Hij werkte ook op het secretariaat als secretaris, maar nu was hij ineens onze nieuwe directeur.

 

 

De nieuwe directeur:

De nieuwe directeur, Vidjai, was anders dan de meesten. Zelf toen we nog op gelijke functies zaten, had ik gemerkt dat hij me aardig vond — misschien zelfs iets meer dan dat. Hij complimenteerde me vaak en vroeg me geregeld uit. “Wanneer gaan we eens op een date?” zei hij dan plagend, met een scheve glimlach. Ik plaagde hem wel eens terug: “Zeg maar wanneer jij er klaar voor bent. Waar ga jij eigenlijk graag heen? Heb je favoriete plekken?”. Hij antwoordde toen met een twinkeling in zijn ogen: “Torarica. Daar kom ik graag.”


Het bleef altijd bij onschuldig geplaag en verder had deze meneer gewoon respect voor mij. Hij was niet opdringerig en ook echt geen doordrammer. Dit was ook de reden dat ik enorm gesteld was op hem. Hij wist een dame wel te behandelen zoals het hoorde. Dat maakte hem in mijn ogen een mooi mens. 

 

Zijn eerlijkheid maakte me aan het lachen. Maar wat me stoorde, was hoe de andere dames hem uitlachten. Omdat hij een lichamelijke beperking had, maakten ze nare opmerkingen over hem, alsof hij minder waard was. Dat vond ik verschrikkelijk. Want eerlijk gezegd — Vidjai mocht dan met een rollator lopen, maar hij was een slimme, welopgevoede man met een scherp verstand. Hij was verre van lelijk. Zijn beperking stoorde mij totaal niet; ik zag hem voor wie hij was: een respectvolle, intelligente heer.

 

 

De herstructurering:

Toen Vidjai officieel aantrad als directeur, begon hij orde op zaken te stellen. Overplaatsingen, nieuwe indelingen — hij wilde zijn secretariaat op zijn manier organiseren. Toevallig was ik precies die dagen met verlof. Achteraf gezien: gelukkig maar!

 

Toen ik na twee dagen terugkwam, trof ik bij de poort één van de secretaresses aan. Haar ogen waren rood van het huilen. Ze vertelde me met trillende stem dat Vidjai haar had overgeplaatst naar het archief, een afdeling waar ze absoluut niet wilde zijn.

Ik dacht in stilte: ‘Kijk eens aan, karma heeft zijn werk gedaan. Jij was altijd degene die hem belachelijk maakte om zijn beperking.’

 

Ze bleef maar praten, vol woede en verontwaardiging. Ze noemde hem gemeen, zei dat hij al die tijd zijn promotie had voorbereid terwijl hij “onder ons” zat, en begon daarna te schelden in racistische termen — “koeli disi, koeli dati” — woorden die ik niet eens wilde herhalen. Ik vond het beneden alle peil.

 

Ik hield het kort. “Werk is werk,” zei ik rustig. “Ik wens je toch een prettige dag, hoor. Je bent duidelijk emotioneel, ik wil mijn ochtend positief beginnen.”

Ze snoof en zei bits: “Is goed hoor,” en liep weg.

 

 

Een nieuwe afdeling:

Toen ik eenmaal mijn werkruimte binnenliep, werd ik al snel door Vidjai geroepen. Hij bracht me op de hoogte van de veranderingen en stelde me voor aan zijn nieuwe assistent: Juan. Juan was de chef van een medische afdeling. Vidjai vroeg of ik met hem mee wilde lopen om daar tijdelijk het roer over te nemen.

“Bevalt het je niet,” zei hij vriendelijk, “dan mag je altijd terug naar het secretariaat.”

 

Zo gezegd, zo gedaan. Ik ging mee met Juan — en bij het betreden van de afdeling kreeg ik meteen een goed gevoel. Alles was netjes, georganiseerd, overzichtelijk. Mijn eigen bureau, een rustige ruimte, en vooral: orde. Dat was precies wat ik nodig had. Ik ging terug naar Vidjai om hem te laten weten dat ik het daar prima vond.

 

 

De roddelstroom:

Maar zoals op bijna elke werkvloer, bleef ook hier de roddel niet uit. Binnen de kortste keren deden er wilde verhalen over mij de ronde. De dames van zowel het secretariaat als mijn nieuwe afdeling hadden ineens “nieuws”:

Ik zou een dochter zijn van meneer Brunswijk — ja, dé oprichter van een politieke Marron-partij in Suriname.

Anderen beweerden dat ik politiek actief was voor de NDP.

Weer anderen dat ik lid was van de ABOP. Ik kon alleen maar lachen. Mensen weten soms meer over jou dan jij over jezelf, dacht ik.

 

Voor alle duidelijkheid: ik ben geen dochter van meneer Brunswijk, noch verbonden aan enige politieke partij. Dat hele gedoe was pure fantasie. Het enige wat mij onderscheidde van velen daar, was dat ik respect had voor anderen. Ongeacht huidskleur, afkomst, sexuele geaardheid, opleiding, rijkdom, handicap of uiterlijk — ik behandelde iedereen fatsoenlijk. Dat was iets wat sommigen daar blijkbaar niet konden verdragen.

 

 

Jaloezie en vooroordelen:

Toch bleven de geruchten zich verspreiden. Al snel werd er gefluisterd dat ik “met iemand sliep” om mijn positie te krijgen. En als dat niet het verhaal was, dan was ik zogenaamd een invloedrijke dochter van een politicus.

Ik leerde al snel: van mijn collega’s moet ik niets eten of drinken. Je wist nooit wat hun intenties waren. En dus was ik altijd op mijn hoede.

 

Gelukkig had ik twee collega’s die me oprecht mochten: Mano en zijn neef Delano, beiden van een andere afdeling. We konden goed met elkaar opschieten, en met hen voelde ik me op mijn gemak. Mano kwam vaak even langs om te praten, te lachen, of gewoon te vragen of ik iets wilde eten. Hij zei dan: “Janella, ik ga eten halen, wil jij ook wat?” En ik zei steevast: “Alleen als jij het zelf haalt. Laat geen van die dames van jouw afdeling iets voor mij meenemen.”


Ik vertrouwde ze niet — geen haar op mijn hoofd die eraan dacht iets uit hun handen aan te nemen. Hun blikken zeiden al genoeg: kil, afgunstig, vol nijd. 
Als ik ze vriendelijk groette, deden ze alsof ik lucht was. Het kon me niet schelen. Ik wist dat ik niets verkeerds had gedaan en bleef gewoon beleefd. Ik was te volwassen om me te verlagen tot hun niveau.

 

 

De blik van jaloezie:

Ik was altijd keurig gekleed — mijn haar netjes, nagels verzorgd en gelakt. Mijn kleding was stijlvol maar bescheiden. En juist dat stoorde hen. Ze konden het niet verdragen dat ik er verzorgd uitzag, zelfvertrouwen uitstraalde en tegelijkertijd dingen voor elkaar kreeg die hen nooit lukten.

In hun ogen was ik een “celebrity”, iemand die zogenaamd met invloedrijke mannen sliep of fortuinlijke ouders had. De waarheid was simpeler: ik was gewoon vriendelijk, professioneel, en wist hoe ik mensen moest benaderen. Dáár lag mijn kracht — niet in bedrog of connecties.

 

 

Mano’s zorgeloosheid:

De tijd ging voorbij, en Mano en ik werden steeds hechter. Samen met Delano ging ik vaak mee naar familiefeestjes, cafés en discotheken. We lachten, dansten, genoten van het leven. Maar er was iets wat me stoorde aan Mano: zijn achteloosheid met drank.

Hij liet zijn glas zomaar ergens staan, liep weg om te dansen, en kwam later doodleuk terug om er weer uit te drinken. Dat deed hij zelfs op het werk!

 

Ik had hem al vaker gewaarschuwd. “Mano, ik vind dit echt niet leuk. Weet je wel wat mensen met drank kunnen doen als je niet oplet?”

Hij lachte het weg. “Janelle, ik doe niemand kwaad. Ik ben gewoon love up,” zei hij altijd met zijn typische glimlach.

Ik zuchtte dan. “Oké, maar let alsjeblieft op! Niet iedereen gunt je het beste.”

 

 

Een verontrustende stilte:

Maanden verstreken. En ineens zag ik Mano niet meer.

Ik belde hem, maar kreeg geen gehoor. Op de afdeling hoorde ik dat hij met ziekteverlof was. Zijn neef Delano kwam af en toe langs en vertelde dat het niet goed met hem ging — hij lag in het ziekenhuis.

 

Ik maakte me zorgen. Zijn vrolijkheid, zijn energie — het bracht altijd leven in de brouwerij. Zonder hem voelde de werkvloer leeg en kil. Ik bleef bellen, telkens hoopvol, maar telkens zonder antwoord. Soms ging de telefoon over tot hij automatisch werd verbroken. Andere keren stond zijn toestel uit.

Er knaagde iets aan mij. Een gevoel van onrust dat ik niet kon verklaren.

 

 

Het telefoontje:

En toen… op een ochtend, terwijl ik op vakantie in het buitenland was, ging mijn telefoon plotseling over.

 

Ik keek op het scherm — mijn hart maakte een sprongetje. Het was Mano.

Eindelijk.

 

Ik schrok, maar tegelijk voelde ik een golf van opluchting.

Hij belde me.

 


🌺 Wordt vervolgd in: DEEL 2

 

⭐️⭐️ =Herschreven door OST-beheerder Yvanna Hilton

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb