STORY 769: HAD HIJ MAAR LIEVER NIKS GEZEGD

Gepubliceerd op 3 augustus 2025 om 17:31

🟧 Ingezonden door: J.W

         ⚜️HAD HIJ MAAR LIEVER NIKS GEZEGD⚜️

----------------------

Lieve OST-leden, dit is een persoonlijke ervaring — een korte, maar krachtige herinnering die me tot op de dag van vandaag kippenvel bezorgt. Het is iets wat mijn man heeft meegemaakt, iets wat hem diep geraakt heeft. En ik geloof hem. Waarom? Omdat hij niet zomaar iemand is. Mijn man heeft een gave, hij is spiritueel gevoelig. Hij voelt dingen, ziet dingen… dingen die wij met het blote oog niet altijd kunnen waarnemen.

 

En dit verhaal? Dit had nooit verteld moeten worden. Maar hij deed het toch.

 

Mijn man, Ernst, heeft een grote liefde voor honden. Al van jongs af aan voelt hij zich verbonden met ze — het zijn voor hem meer dan huisdieren. Het zijn zielsverwanten, wezens met gevoel en bewustzijn. Niet gek dus dat hij een vriendengroep om zich heen heeft verzameld met diezelfde passie. Eén van die vrienden is Cliff — een goedlachse Chinese jongeman, altijd enthousiast en altijd druk bezig met iets nieuws. Cliff runt een winkel ergens aan het Molenpad, richting Van Dijk. Een bescheiden zaakje, maar hij is er trots op.

 

Op een doordeweekse ochtend, zo rond een uur of tien, rinkelde onze huistelefoon. Het was Cliff.

 

“Eey kon luku, mi ab wan tu mooi sani!” riep hij opgewekt. (“Hé, kom even kijken, ik heb iets moois voor je!”)

 

Ernst hoefde niet lang na te denken. Enthousiast sprong hij in zijn auto. Hij kende Cliff langer dan vandaag, dus dit zou vast weer één van zijn creatieve uitspattingen zijn. Een nieuwe rashond misschien? Of een bijzonder hok dat hij zelf had gebouwd?

 

Aangekomen bij de winkel viel Ernst zijn mond letterlijk open van verbazing. Cliff had de achterkant van zijn pand volledig omgetoverd. Letterlijk. Waar eerst een saaie muur stond, had hij een doorgang gecreëerd naar het aangrenzende erf. En dat was niet zomaar een erf. De buren van Cliff, zo vertelde hij, woonden al jaren in het buitenland. Niemand keek meer naar het terrein om. Dus had Cliff het initiatief genomen: hij liet de boel schoonmaken, struiken snoeien, rommel weghalen — en hij bouwde er zijn eigen hondenparadijs.

 

Ernst keek zijn ogen uit. Het terrein leek wel een geheime tuin, verborgen achter een simpele winkelmuur. Je zag meteen dat het erf oud was, doordrenkt met geschiedenis. Overal stonden vruchtbomen: een statige suikerrietplant, een glanzende kersenboom, een majestueuze birambiboom die zo groot en weelderig was dat hij je het gevoel gaf terug in de tijd te zijn gereisd. Vooral die birambiboom viel op — zijn kruin reikte hoog, zijn takken droegen sappige vruchten, en aan zijn verweerde bast kon je zien dat deze boom al decennia, misschien wel eeuwen, daar stond te waken.

 

“Mooi hè?” zei Cliff trots, terwijl hij met een wijd armgebaar het terrein liet zien. Hij babbelde onophoudelijk over de hondenrassen, de bouw van de hokken, de structuur van het erf.

 

Maar terwijl Cliff vol passie praatte, merkte Ernst dat zijn aandacht begon te verschuiven. Zijn blik werd naar één bepaalde plek op het erf getrokken — vlak bij een oude, verweerde bakstenen oven. De oven stond deels overgroeid, verscholen onder een laagje mos, maar was duidelijk oud. Té oud. Het leek op een constructie uit de koloniale slaventijd, met dikke, met de hand gevormde stenen en een halve boog als opening. Een rilling trok door Ernsts lijf.

 

Plotseling, zonder enige waarschuwing, zag hij hem.

Een man.

 

Zittend, gehurkt bij de oven. Pikzwart van huid, glimmend alsof zijn hele lijf was ingesmeerd met olie. Zijn ogen waren gesloten, zijn gezicht kalm. Met een houten waaier was hij langzaam een vuurtje aan het aanwakkeren. Een kleine rookpluim kringelde op, danste mee met de wind. Hij droeg een eenvoudig lendendoekje en had een streng touw om zijn middel gewikkeld.

 

Ernst stond aan de grond genageld. Hij knipperde. Eén keer. Twee keer. De man bleef daar, onverstoord, alsof hij deel uitmaakte van het erf. Maar hij was niet van deze tijd. Alles aan hem — zijn houding, zijn kledij, zijn blik — schreeuwde geschiedenis. Spiritualiteit. Iets ouds. Iets krachtigs.

 

Ernst voelde het in elke vezel van zijn lichaam: dit was geen levend mens. Dit was een geest. Een entiteit. Een apuku. Een beschermer van het erf. En hoewel hij geen angst voelde, wist hij dat hij getuige was van iets wat niet voor iedereen zichtbaar is.

 

Deze hele waarneming duurde slechts enkele seconden. Maar de impact was enorm.

 

Cliff merkte onmiddellijk dat Ernst was afgedwaald.

“Wat is er aan de hand?!” vroeg hij, bezorgd. 

“Er is niets,” antwoordde Ernst zachtjes, zichtbaar uit evenwicht. Maar Cliff geloofde hem niet.

 

“Mi sjie yu luku so… go dape. Taigi mi san’ yu sjie?” (“Ik zag je daarheen kijken. Zeg me wat je hebt gezien.”)

 

Ernst aarzelde. Hij wilde het niet zeggen. Zijn gevoel zei hem: hou je mond. Maar Cliff bleef aandringen, bleef smeken om duidelijkheid. Uiteindelijk, met tegenzin, vertelde Ernst wat hij had gezien. Hij legde uit over de man bij de oven, over zijn verschijning, zijn rust, zijn aura.

 

Cliff werd bleek. Maar tegelijkertijd knikte hij langzaam.

 

“Mi ben sabi. Yu na culturu sma.” zei hij ernstig. (“Ik wist het al. Jij bent een cultureel gevoelig persoon. Je ziet dingen.”)

 

Ernst probeerde het positief te brengen. “Wat ik heb gezien,” zei hij, “is geen kwaad. Integendeel. Die apuku is oud, hij hoort bij deze plek. En hij is blij met wat je gedaan hebt. Je hebt het erf schoongemaakt, tot leven gebracht. Blijf het onderhouden, respecteer de rust hier — en je zult alleen maar gezegend worden.”

 

Cliff knikte, leek opgelucht. Maar wat Ernst niet had voorzien, was de nasleep. Diezelfde avond werd hij opnieuw gebeld. Het was weer Cliff.

 

“Broer, ie kan kon djaso?” (“Kun je even langskomen?”)

 

Maar Ernst voelde het meteen: er was iets veranderd in Cliff zijn stem. Er klonk nervositeit in door, paniek zelfs. Ernst voelde zich ongemakkelijk. Hij wilde het liefst weigeren, en zei: “Nee man, luister… wat ik eerder zei? Dat was gewoon een grap. Een slechte grap, serieus. Ik meende het niet, was gewoon om te lachen, sorry.”

 

Maar Cliff nam daar geen genoegen mee.

 

“Mi no wan yere san. Yu moes' fu kon.” (“Ik wil niks horen. Je moet komen.”)

 

Uiteindelijk, met tegenzin, ging Ernst toch naar hem toe. En wat hij daar aantrof, tartte zijn verbeelding.

 

Cliff had zijn hele Chinese familie opgetrommeld. Tantes, ooms, nichtjes — allemaal zaten ze in de woonkamer, bezorgd, gespannen, sommigen fluisterend, anderen biddend. De sfeer was zwaar, bijna ondraaglijk.

 

“Wat heb je gezegd? Wat heb je losgemaakt?” vroeg een tante met tranen in haar ogen. “We horen geluiden in huis. Dingen vallen zomaar. De honden janken ineens zonder reden!”

 

Ernst voelde zich beroerd.

 

“Mi Gado… san mi pot mi srefi ini?” fluisterde hij in zichzelf. (“Mijn God… in wat voor situatie heb ik mezelf gebracht?”)

 

Cliff zelf zat als een aangeslagen kreeft op de bank, zwaar onder invloed van drank. Zijn handen beefden, zijn ogen waren rooddoorlopen. “Ik wil die apuku niet boos maken,” mompelde hij.

 

Ernst moest zich herhalen, wel tien keer. Dat het een grap was. Een verzinsel. Dat hij het allemaal had verzonnen om indruk te maken. Hij bood zijn excuses aan, duizendmaal. Maar diep vanbinnen wist hij: hij loog. Hij had wel degelijk iets gezien. Iets wat niet iedereen kon zien. Iets wat daar nog steeds was.

 

De volgende ochtend hoorde hij het nieuws: Cliff had het hele terrein ontruimd. Alle honden weggehaald, de hokken afgebroken, en een nieuwe, dikke houten schutting laten plaatsen om het erf opnieuw af te sluiten.

 

Alsof hij het wilde begraven. Alsof hij alles weer wilde terugdraaien.

 

En zo blijft het. Ernst heeft sindsdien nooit meer iets gezegd over wat hij zag. Hij heeft geleerd dat niet iedereen klaar is voor de waarheid — zelfs niet als ze er eerst om smeken.

 

Had hij maar liever niets gezegd! 

 

⭐️⭐️= dit verhaal is herschreven door OST beheerder Yvanna Hilton.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb