STORY 739: S’NACHTS DOE IK DIT NIET MEER

Gepubliceerd op 15 mei 2025 om 10:52

🟩 Ingezonden door: R.E.

            ⚜️S'NACHTS DOE IK DIT NIET MEER⚜️

---------------------------

Beste OST-leden, wat ik vandaag met jullie wil delen, is geen verhaal dat ik verzonnen heb. Het is een gebeurtenis die ik met eigen ogen heb meegemaakt, en hoewel het inmiddels jaren geleden is, blijft het me achtervolgen — vooral op stille nachten. Het gebeurde op maandag 15 juni 2020, diep in de nacht, terwijl de wereld om me heen in een diepe slaap leek te liggen.

 

De klok wees 00:50 uur aan — tien minuten voor één. Ik had mijn avondroutine bijna afgerond en stond op het punt naar bed te gaan. Maar voordat ik mezelf onder mijn dekens nestel, werp ik zoals altijd een laatste blik naar buiten. Het is een gewoonte geworden, bijna als een beschermend ritueel: even door het raam gluren om te zien of alles veilig is op mijn erf, of er geen verdachte bewegingen zijn, geen schaduwen die er niet horen te zijn.

 

Die nacht was het windstil. Er hing een bijna onnatuurlijke stilte in de lucht, alsof zelfs de insecten en nachtdieren hun adem inhielden. Het maanlicht viel schuin door de bladeren van de bomen en wierp vage patronen over de grond. Alles leek normaal… tot ik mijn ogen liet dwalen naar de rand van mijn schutting.

 

In een flits zag ik een hoofd omhoog komen — langzaam, als een periscoop die uit het niets verscheen. Ik bevroor. Mijn adem stokte in mijn keel. Mijn hersenen probeerden razendsnel te verklaren wat ik zag. Was het een inbreker? Een nieuwsgierige buurjongen die een geintje uithaalde?

 

Maar nee. Dat kon niet. Mijn schutting is ruim twee meter hoog. Er is absoluut geen manier waarop iemand zonder hulp over die rand zou kunnen kijken. Er was geen geluid van klimmen, geen schuiven van een object, niets. Uiterst vreemd want bij elke persoon die in de straat liep, gingen de honden van de buren flink tekeer. Het kon dus niet dat iemand daar ineens zou staan op een ladder of op een voorwerp. Dat zou de enige manier zijn om met jouw hoofd boven de schutting uit te kunnen steken. Het hoofd leek gewoon… op te rijzen.

 

En toen keek ik het wezen recht aan, want een mens was dit niet. 

 

De huid was vaal en bijna lichtgevend wit, alsof het geen bloedcirculatie had. Niet bleek zoals een mens met albinisme, niet grauw zoals iemand die ziek is, maar gewoon… onwerelds. Alsof het iets uit een andere dimensie was. De ogen waren het ergst: volledig zwart, zonder enige glans of weerkaatsing. Geen pupil, geen wit — alleen diepe, lege duisternis. Het was alsof ik keek in twee open poorten naar het niets.

 

Ik kon de details van het haar niet goed onderscheiden, daarvoor was de afstand te groot en het licht te zwak. Maar het leek op het eerste gezicht sluik, misschien nat, alsof het wezen net uit een moeras kwam gekropen. Het gezicht bewoog niet. Geen knipperen. Geen gezichtsuitdrukking. Geen leven.

 

Ik wilde mezelf geruststellen. Misschien overdreef ik. Misschien had ik te lang naar horrorfilms gekeken, of speelde mijn vermoeidheid me parten. Maar terwijl ik daar stond, besefte ik dat dit geen normale situatie was. Het hoofd stond daar veel te hoog, te stil, en het straalde een koude energie uit die ik tot in mijn botten voelde.

 

Ik bleef kijken. Ik wilde het wezen zien bewegen, langs de poort lopen, zodat ik zijn lichaam kon zien. Dan had ik tenminste een verklaring gehad. Misschien stond hij op een ladder, misschien was het een grap. Maar het gebeurde niet.

 

Het hoofd bleef daar een paar minuten hangen, als een roofdier dat zijn prooi observeert. En toen, zonder enige waarschuwing, zakte het langzaam terug achter de schutting. Geen snelle beweging. Geen gestommel. Geen afscheid. Gewoon… weg. Alsof het nooit bestaan had. Zelf de honden maakten geen lawaai, helemaal niks! 

 

Ik bleef nog zeker tien minuten roerloos bij het raam staan. Mijn hart bonsde in mijn borstkast, en mijn vingers voelden ijskoud. Ik voelde hoe een rilling langzaam langs mijn rug trok, alsof iemand over mijn ruggengraat blies. Ik durfde het raam niet open te doen, zelfs niet om de gordijnen dicht te trekken. Alles in mij zei dat ik binnen moest blijven.

 

Wat had ik gezien?

Een geest? Een demoon? Een entiteit uit een andere wereld?

Het enige wat ik weet is dat het niet van hier was, niet van deze wereld.

 

Tot op de dag van vandaag kan ik het beeld van dat bleke gezicht met die eindeloze zwarte ogen niet uit mijn hoofd krijgen. Het doemt soms op in mijn dromen. Ik vraag me af: heeft iemand van jullie ooit iets gelijkaardigs meegemaakt? Iets dat zo onverklaarbaar en intens beangstigend was dat het je wereldbeeld op zijn kop zette?

 

Dit was mijn ervaring. Echt! Onvervalst. En elke letter die ik hier heb neergeschreven, is waar gebeurd.

Dank je wel voor het lezen… en wees gewaarschuwd als je ’s nachts naar buiten kijkt. Mijn grootmoeder had mij in het verleden vaak gewaarschuwd niet zomaar in de nacht uit het raam te gluren, maar ik dacht dat dit bang makerij was, maar nu weet ik wel beter. 

⭐️⭐️= het stuk is 90% herschreven door de OST beheerder Yvanna Hilton. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb