STORY 731: IK WIL GEEN VREEMDEN IN MIJN HUIS - DEEL 3

Gepubliceerd op 29 maart 2025 om 17:02

🟩 Ingezonden door: B.N 

   ⚜️IK WIL GEEN VREEMDEN IN MIJN HUIS ⚜️ DEEL 3

------------------------

Ik besefte dat ik iets was vergeten te vertellen. Op een dag lag ik op de bank te rusten. Mijn dochter was op school, en mijn zoontje was bij de oppas. Telkens wanneer ik in slaap viel, hoorde ik een harde klap op een stoel. Alsof iets of iemand me expres wilde storen.

 

De eerste keer schrok ik, de tweede keer werd ik onrustig, maar bij de derde keer was ik het zat. Ik sprong op, mi kosi mi kosi ala pangpang nanga kaolo! (ik schold vreselijk uit). Opeens was het stil. Geen klappen meer, geen verstoringen. Vanaf dat moment kon ik rustig slapen.

 

Elke keer als ik mijn huis verliet, had ik een vaste gewoonte. Ik zei hardop: 

“Mi libi a oso gi den sma sang taki den abi eng, meki den de vrij, maar me kon baka yere.”

(“Ik laat deze woning achter voor degene die beweert dat het van haar is. Voel je vrij hier, maar weet dat ik straks terugkom.”)

 

Mijn dochter moest altijd lachen als ze me dit hoorde zeggen, maar diep van binnen wist ik dat ik het niet voor niets deed.

Terug naar mijn dochter. Ze werd maar niet beter. Haar ziekte leek maar aan te houden, alsof iets haar tegenhield om te genezen. Uiteindelijk besloot ik met de kinderen bij mijn zus Natasha te gaan logeren.

 

Op een avond belde mijn neef me. Zijn stem klonk dringend. “Je moet een ‘luku’ laten doen,” zei hij. “Ze hebben Chanice haar ziel vastgepakt. Als je niets doet, kan ze sterven.” Mijn hart sloeg een slag over. Ik wist dat ik onmiddellijk moest handelen.

 

 

Op zondagochtend zei mijn zus: “Ik ken een man op Ramgoe. Hij is goed met culturele zaken. Laten we het kind naar hem brengen.” We belden de man—Meneer Josef. Hij legde uit wat ik moest meenemen en gaf ons toestemming om meteen te komen. Ik had niet genoeg geld voor de luku, maar ik had wel de benodigde spullen gekocht. Ik had ongeveer drie kwart van het bedrag.

 

 

Toen we bij Meneer Josef aankwamen, zei hij:

“Gi mi sa joe abi.”

(“Geef me gewoon wat je hebt.”)

 

Ik bood aan om de rest later te pinnen, maar hij wuifde het weg.“Nono, libi a sani dati.”

 

(“Nee, laat maar zitten.”)

 

Toen vroeg hij: “Gi soema a loekoe de?”

 

(“Voor wie is deze luku?”)

 

Ik haalde diep adem en antwoordde:

“Gi mi oema pikin. A no kon want a swaki. Mi abi wang foto wel.”

(“Voor mijn dochter. Ik heb haar niet meegenomen, ze is te ziek. Maar ik heb wel een foto van haar.”)

 

Hij knikte en begon met zijn rituelen. Wat hij toen ontdekte, bezorgde me koude rillingen.

 

“Na joe den ben wani, maar joe tranga. Dan den teki a pikin. Joe dede mama nanga papa na den hori baka, noso joe ben lasi a pikin.”

(“Ze wilden eigenlijk jou pakken, maar jij bent te sterk. Daarom hebben ze zich op je kind gericht. Je overleden ouders hebben jullie al die tijd beschermd, anders was je dochter nu al dood geweest.”)

 

Mijn zus sprong woedend op en begon te schelden.

“Zie je! Deze mapangpang-mensen meenden het nooit goed met je!”

 

Ik begreep haar woede. Maar ik ben het rustige type. Stil, observerend, moeilijk te doorgronden. Toch, diep in mijn hart, kookte ik van binnen.

 

Meneer Josef keek me aan.

“Mi kan wasi eng gi joe.”

(“Ik kan haar een kruidenbad geven.”)

 

Hij legde me uit welke spullen ik moest halen en wat het zou kosten. “A swaki, mi no mang wroko. Mo gi joe wan dresi. Da je lobi gi ala den koko siksi joeroe nanga twarfu joeroe. Te a kisi eng srefi, pikin so, da je bel mi.”

 

(“Ze is te zwak, ik kan nu nog niet op haar werken. Ik zal je een medicijn geven waarmee je haar om 6:00 PM en 12:00 AM moet insmeren. Zodra ze beter is, bel me.”)

 

Ik deed alles wat hij zei. Op maandag kocht ik de spullen en op dinsdag waren we op Tapsey (buiten de stad). Een goede vriend van me, een taxichauffeur, bracht ons en bleef de hele dag bij ons.

 

 

Voordat Meneer Josef begon, had een bigisma (een oudere dame met wie hij samenwerkte) soep voor mijn dochter gekookt, zodat ze iets op haar maag had. Ze gaf wat over, maar niet alles.Toen hij klaar was, keek hij me ernstig aan.

 

 

“Joe moes froisi.”

(“Je moet verhuizen uit die woning.”)

 

Mijn hart zonk.

 

“Maar no mi no abi presi fu go.”

(“Maar ik heb geen andere plek om heen te gaan.”)

 

Hij dacht even na en zei:

“Ie abi dresi ete toch?”

(“Je hebt het medicijn nog, toch?”)

 

Ik knikte.

 

“Poti ini a oso. Mo meki berebanti gi den pikin. Soso te den wasi, den kan poer eng. Maar heri dei den moes weri. Joe kan go ini a oso, joe tranga.”

(“Doe het medicijn in de woning. Ik zal beschermende buikbanden maken voor de kinderen. Ze moeten die dag en nacht dragen, behalve bij het douchen. Jij bent sterk genoeg om in de woning te blijven.”)

 

Toen hij klaar was, gaf hij me een laatste, serieuze waarschuwing:

 

“Arki mi boeng! Te a basi kon na joe, a aksi joe watra, joe no moes gi eng. Nos’ jo gwa oekoe. No pasa mi mofo!”

(“Luister goed! Als de huisbaas naar je komt en om een glas water vraagt, geef het hem NIET. Als je het wel doet, zal dat jouw dood worden. Begrijp je me? Geef hem nooit water!”)

 

Ik knikte. Dit was geen grap.

 

Mijn dochter werd na haar bad toch opgenomen in het ziekenhuis. Ze bleef er vier dagen, maar herstelde. De dag dat ze thuiskwam, maakte ik een grote pan Chinese tayersoep. Ze at vier porties. Sindsdien is ze nooit meer ziek geworden. Ze wordt dit jaar 17.

 

 

Een paar dagen later belde Dirk me.

 

“Kunnen we praten?” vroeg hij.

 

“Bel me over vijf minuten.”

 

Hij begreep het niet.

 

“Waarom niet nu?”

 

“Het heeft geen zin.” zei ik alleen maar.

 

Later kwam hij weer.

 

“Heb je al iets gevonden? Ik heb dat huis nodig.”

 

“Ja, geen probleem.” antwoordde ik.

 

Ik zorgde dat ik vóór de afgesproken datum uit het huis was.

 

Grappig genoeg deed de airco, die maanden kapot was, het ineens weer toen ik wegging. Alsof er nooit iets mis mee was geweest.

 

Later hoorde ik dat Dirk ooit veel geld en onroerend goed had, maar nu bijna alles kwijt was. Bloedgeld heeft geen zegen.

 

Zijn neef woont nu weer in het huis, maar alleen. Niemand wil daar meer wonen.

 

Mensen, voordat jullie een huis huren: onderzoek het goed. Want sommige huizen dragen meer met zich mee dan alleen muren en een dak.

 

Met God’s wil gaat alles nu goed met mij en mijn kinderen. We beginnen een nieuw hoofdstuk.

 

🌺 Bedankt voor het lezen.

———
MENSEN IN HET VERHAAL:

Bernice ——> Oudere dame (Mijn vriendin) 70+ jr
Dirk ————> Kennis van Bernice sinds jongsaf
Wendell ——> Broer van Dirk die in NL woont
Mitchell ——> zoon van Dirk (19 jaar)
Natasha ——> Mijn zus
Chanice ——> mijn dochter chanice (14 jaar)
Jamal ———> mijn zoon (2 jaar)
Meneer josef-> De lukuman
———

 

⭐️⭐️= het verhaal is 90% herschreven door de OST beheerder Yvanna Hilton. 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.

Maak jouw eigen website met JouwWeb