🟪 Ingezonden door: Nicey suge
⚜️MIJN YORKA BERI ERVARING⚜️
---------------------------
Goedemorgen OST-leden, vandaag wil ik jullie over een bijzondere en mysterieuze gebeurtenis in Suriname vertellen, genaamd Yorka Beri — de “Begrafenis van de Doden door de Doden”. Letterlijk vertaald betekent “Yorka Beri” zoveel als “Begrafenis voor de doden”.
Het gaat om een ritueel waarbij overledenen (voorouders zoals ouders, grootouders, ooms en tantes) in de vorm van geestverschijningen, of “Yorka’s”, de kist van een recent overledene naar zijn of haar laatste rustplaats dragen. Deze Yorka’s (geesten) zijn dan in het wit gekleed en verschijnen vaak in de stilte van de nacht, tussen middernacht en drie uur ’s ochtends. Daarom waarschuwde men vroeger altijd: blijf weg van begrafenissen op deze uren.
Maar zoals het gezegde luidt: “waar goede geesten zijn, zijn ook slechte”. Sommige Yorka’s zijn niet vergevingsgezind en staan bekend om kattenkwaad. Ze zijn niet altijd goedgezind en brengen soms een onheilspellende sfeer mee. Wanneer je een Yorka Beri tegenkomt, is het beste advies om stil door te lopen en net te doen alsof je niets ziet. Deze begrafenissen zijn namelijk bedoeld voor de doden, niet voor de levenden. Sterker nog, wie per ongeluk getuige is, kan gevaar lopen. Yorka Beri-ceremonies zijn strikt geheim, en levenden mogen ze niet aanschouwen — wie dat toch doet, wordt beschouwd als iemand die kennis heeft van verboden dingen die hen uiteindelijk kunnen schaden.
Voor degenen die onbekend zijn met dit mystieke ritueel, dit gebruik stamt uit tijden waarin alles anders was. De jaren ’60 en ’70 waren eenvoudiger, maar voor velen ook beter. Men was “rijk” in eigen hart en huis: eigen stukje land, een buitenhuis, en grote gezinnen met soms wel tien kinderen. Mijn grootmoeder kwam uit een gezin van veertien — ongelofelijk! De vrouwen waren sterk; ze bevielen zonder ruggenprik en brachten vele kinderen groot. Mensen bereikten een hoge leeftijd; de oudste in de familie was zelfs 107 jaar oud, en nog steeds zijn er familieleden die de honderd naderen.
De jeugd van vroeger was volwassen en verantwoordelijk. We speelden “huisje” en “doktertje”, of kookten “poptjie pattoe” — met verse ingrediënten uit de moestuin, zoals krobia, kwikwi, en kruiden uit eigen tuin. Eten was puur, vers en heerlijk: zoute vis met rijst of geroosterde duif, zelf gevangen of met een slinger geschoten.
Op vijfjarige leeftijd deden we al het huishouden. Respect was vanzelfsprekend, we spraken met “u” en “meneer” en “mevrouw”. Iedereen kende elkaar in de buurt. Na school speelden we 'djoel' (een surinaams spel) op het veld, omringd door buren die ons aanmoedigden. Op zondag viel er een serene rust over de straat; het was een dag van stilte en kerk, en muziek hoorde je nergens. Stille Zaterdag was écht stil.
Deze tijd herinneren velen zich met warmte. Een Yorka Beri blijft als een mystiek ritueel dat ons herinnert aan de kracht van onze voorouders, de magie van het verleden, en het respect voor zowel de levenden als de doden.
Ons familieterrein was vroeger enorm, wel vier erven groot, met twee huizen op elk erf. Er woonden vier generaties samen: overgrootmoeder (ma dada), oma (ma yet), moeder, en wij kinderen. In totaal waren er zo’n 22 kinderen op het terrein. We woonden toen in Abrabroki, vlak bij de Onze Lieve Vrouwekerk.
De saamhorigheid was bijzonder. Wanneer de moslims in de buurt hun slachtfeest vierden, kon iedereen gratis vlees komen halen. Wat een tijd was dat! Later woonden we ook in de Naipalstraat te Kwatta en een tijd op Moengo, toen dat nog een welvarend gebied was vanwege de bauxiet. Daar hadden we ook een prachtige tijd, omringd door Javaanse families. De Javaanse cultuur, en vooral de schoonheid van Javaanse mensen, heeft me altijd aangesproken.
We hadden op het erf allerlei dieren: kippen, ganzen, eenden, en zelfs een groot duivenhok voor wel 75 duiven. 'Ouwma' (de Surinaamse versie van oma) kende elke duif die bij ons zat, en we wisten meteen welke nieuw waren, want onze eigen duiven brachten steeds nieuwe vogels mee van de buurt. Naast de duiven hadden we ook een hert, een pakira genaamd Kees (die alleen groente en fruit at), en twee aapjes: Boyke, een roodblonde aap, en Langa, een aap met lange armen die we van de plantage hadden meegebracht.
Onze tuin was een paradijs vol fruit. Van pompelmoes tot zuurzak, van mangajamoe tot knippa, alles groeide daar. Toch, ondanks al die rijkdom, was het spannend om bij anderen fruit te “lenen” — iets wat ouwma eigenlijk ook wel moedigde, zolang we het risico durfden nemen. Vooral de bomen vol met djamoes (waar we zelfs wijn van maakten) waren verleidelijk.
Als het regenseizoen aanbrak, kwam de regen met bakken uit de lucht. Dat hield ons niet tegen; of het nu dag of nacht was, we renden naar buiten en zwommen in de plassen op het erf. We werden nooit ziek, want voor elk kwaaltje was er wel een “oso dresie” (huisremedie). In de droge tijd vielen de kreken en swamps droog, en dan was het tijd om te vissen — gewoon met de hand. Soms ontstonden er bosbranden door de brandende zon, maar tegenwoordig is het klimaat veranderd en regent het onverwacht, soms zelfs met hagel.
Onze ouwma’s (oma's) gaven ons wijze levenslessen en waren soms helderziend; ze konden geesten of “takroe sanies” voelen. ’s Avonds vertelden ze ons Anansi-tories (verhalen over de slimme spin Anansi) en Yorka-tories (spookverhalen). Vooral bij de Yorka-tories kropen we dicht bij elkaar in de woonkamer om te slapen, want de verhalen waren spannend en het huis was alleen verlicht door kaarsen of olielampen. Die avonden bij kaarslicht waren onvergetelijk.
Ik herinner me hoe vroeger, in sommige straten, de straatverlichting ter plekke werd aangestoken. We gingen ook altijd vroeg naar het toilet – een klein huisje achter op het erf – want ’s avonds was het te donker. Als je dan toch moest, ging je met een kolampoe (olielamp) en vaak met zijn tweeën. Soms bleef de ander dan achter, wat een groot risico was in dat pikzwarte donker. Daarom ging ik meestal met ouwma mee, dan voelde ik me veiliger.
Onze familie had ook een plantage voorbij Domburg, en daar kwamen we regelmatig. We reisden ernaartoe met een bootje voor vakanties en familie winti-pre’s (culturele ceremonies). Een echte winti-prey noemden we een “frede prey” – een heilige ceremonie – en op zo’n avond gebeurden er soms vreemde, bovennatuurlijke dingen. Het was spannend en vaak ook eng, maar we waren altijd nieuwsgierig wat er die avond zou gebeuren. Herinneringen als deze maken me trots op mijn land.
De Yorka Beri (Spookbegrafenis)
Dit verhaal speelt zich af rond 1994/95. Ik was een jaar in Suriname, op oriëntatie om te zien of ik misschien zou terugkeren. Na een paar maanden had ik het dagelijkse leven in Tourtonne goed door; ik logeerde bij mijn ouders, deed rustig aan, ging vissen, maakte uitstapjes en genoot van heerlijk eten. Met de moestuin van mijn moeder was er altijd vers eten – vaak wel twee of drie keer per dag iets dat ik lekker vond.
In die tijd had ik een matti, Denko, die ook voor een half jaar in Suriname was. We trokken vaak samen op, soms met de auto, soms lopend of met een taxi, en soms via Maretraite naar huis, langs geyersvlijt – zoals die avond.
Het was een zwoele zaterdagavond, en we hadden een geweldige avond gehad in disco Touche. We hadden zelfs een paar dates geregeld voor de komende week. Daarna slenterden we naar de Waterkant via de Heilige Weg. Daar was het gezellig druk, en we kwamen meer mensen en toeristen tegen. We zaten een tijdje op een bankje bij Oompi en genoten van een koude sof (soda). Je zag steeds meer Braziliaanse vrouwen aan de Waterkant, en het begon wel wat weg te hebben van het Copacabana-strand in Rio.
Rond 02:40 uur besloten we te voet naar huis te gaan, genietend van de zachte nachtlucht. We liepen door de Mirandastraat, slingerden door de Limapostraat achterlangs de Centrale Bank, en kwamen langs Surpost, Fontein, en Telesur. Via de Wagenwegstraat en de Herenstraat gingen we verder naar de Tourtonnelaan richting Tourtonne.
Het was rustig en muisstil, en de wandeling voelde bijna meditatief. We praatten wat over de avond en andere dingen, en op een gegeven moment vertelde ik Denko over een visput die ik had ontdekt bij Tourtonne 6. Al kletsend kwamen we in de Anamoestraat, waarschijnlijk ter hoogte van Tourtonne 4, vlak na de brug in de Jan Steenstraat. De omgeving was doodstil, en Denko ging even de berm in om te plassen. Ik bleef midden op de weg staan en wachtte.
Terwijl ik stond te wachten, zag ik ineens in de verte een licht naderen. In eerste instantie dacht ik dat het een auto was, en ik keek hoopvol of we misschien een lift konden krijgen. Maar toen viel me op dat de lichten veel te hoog zaten voor een gewone auto. Misschien een truck, dacht ik, maar ik hoorde geen geluid. Dit voelde niet goed. Als ex-militair wist ik afstanden goed in te schatten, en op basis van de lantaarnpalen kwam ik op zo’n 200 meter. Ik wist dat er iets niet klopte, en toen ik naar mijn horloge keek – het was 03:20 uur – kreeg ik kippenvel.
Ik riep naar Denko en vroeg of hij het licht ook zag. Hij keek op, maar schudde zijn hoofd. Hij zag niets. “Luister,” zei ik zacht. “Doe precies wat ik zeg en geen gekke dingen, oké?” Denko knikte, en we liepen de straat uit, naar een huis met een houten schutting waar we overheen klommen. We verborgen ons achter een kersenboom en keken door een smalle spleet in de schutting.
De stilte was verstikkend. Ik fluisterde tegen Denko: “Wat er ook gebeurt, hou je adem in en blijf stil.”
Het geluid kwam langzaam dichterbij – wielen die over de grond rolden, het gedempte gekletter van paardenhoeven, en een vreemd, diep gezoem. Het klonk bijna als een soort gehum, traag en griezelig. Het geluid stopte vlak bij de hoek, en het gehum bleef aanhouden, nu in een soort vreemde harmonie. Ik waagde een snelle blik door de spleet van de schutting en voelde mijn hart in mijn keel kloppen.
Daar, in het bleke maanlicht, zag ik een witte koets met zwarte houten wielen, getrokken door twee pikzwarte paarden. Achter de koets stond een groep van acht mannen in wit gekleed, die geen woord spraken, maar zachtjes humden, een spookachtig geluid dat door merg en been ging. Mijn hele lichaam beefde.
De koetsdeur ging langzaam open, en ik keek ademloos toe. Het was alsof de nacht zelf stilhield. Uit de duistere opening stapte een lange, magere man – minstens twee meter lang, met een hoge hoed en een lange jas die tot zijn enkels reikte. Zijn gezicht was een donkere schaduw in de nacht. Hij draaide zijn hoofd, keek eerst de ene kant van de weg op, toen de andere kant, alsof hij iets zocht.
Ik hield mijn adem in toen ik zag dat hij langzaam onze kant op begon te kijken. Ik liet mijn hoofd zakken en draaide me van de schutting weg, mijn hart bonkend in mijn borst. Ik begon zacht te bidden, prevelde een Weesgegroet en een Onze Vader, en smeekte mijn voorouders om ons te beschermen. De voetstappen van de man klonken steeds dichterbij, alsof hij recht op ons af kwam.
“Blijf stil en zeg niets,” fluisterde ik naar Denko. Zijn ogen waren groot, en ik zag dat ook hij de angst voelde. Op dat moment hoorden we geritsel ergens achter op het erf. Het geluid kwam van achter de bomen en het struikgewas, en ik wist niet wat het was, maar het klonk alsof er iets of iemand in de buurt was. Mijn kippenvel werd ondragelijk, en mijn hele lichaam voelde strak gespannen.
En toen, alsof een golf van onrust de buurt overspoelde, begonnen de honden in de verte wild te blaffen en te huilen. Het geluid sneed door de stilte als een alarm, en ik hoorde hoe het geritsel langzaam veranderde in voetstappen, alsof iets onzichtbaars langs ons sloop. Mijn adem stokte.
Een kwartier lang bleven we doodstil zitten, in volledige duisternis, afwachtend. De stilte viel als een loodzware deken over ons heen. Toen ik eindelijk naar mijn horloge durfde te kijken, zag ik dat het 03:53 uur was. Het gevaar leek geweken, en ik fluisterde naar Denko dat we konden gaan.
We klommen haastig over de schutting en liepen terug naar de Anamoestraat richting Tourtonne 5, onze adem nog steeds onregelmatig. “Wat is er gebeurd, wat hebben we gezien?” vroeg Denko. “Later,” mompelde ik, “laten we eerst wegkomen.”
De spanning zakte nog niet, want we waren nog steeds in open veld zonder beschutting. Ik bleef mijn gebeden prevelen, mijn ogen gericht op de weg voor ons, terwijl we versnelden richting het eerste stukje bebouwing in Tourtonne 5. Bij ongeveer 200 meter afstand van de Shell-pomp zei ik tegen Denko: “Als we daar zijn, rennen we zo hard we kunnen.”
Op honderd meter afstand zetten we het op een lopen, en we renden zonder om te kijken, ademloos door tot we de bekende huizen van Tourtonne 5 bereikten. We kwamen tot stilstand en bleven hijgend staan, ons hart bonzend van de spanning.
“Ga naar huis, maar was je eerst goed en vergeet het Florida-water niet achter je nek,” zei ik tegen Denko voordat we afscheid namen. Hij knikte, nog steeds onder de indruk, en we namen afscheid in de Arctonstraat. Ik moest nog een stukje verder, langs de donkere Butaanstraat en de Grannietstraat, en uiteindelijk naar huis, de veilige sulfaatstraat in.
Die nacht had ik het gevoel dat ik oog in oog had gestaan met iets uit een andere wereld.
Ik liep snel door, mijn adem nog onrustig van de spanning, af en toe achterom kijkend. Het voelde alsof er iets met me meeliep, iets dat ik niet kon zien. Toch had ik geen angst – het was een rustige, bijna kalme aanwezigheid. Ik sloeg de Nitriestraat in. Nog zo’n honderd meter, dacht ik. Ik was er bijna. Met elke stap dankte ik God en mijn voorouders dat ze me veilig thuis hadden gebracht. Nooit, nam ik me voor, zou ik zo’n gevaarlijke fout opnieuw maken.
Ik bereikte de Sulfaatstraat, de laatste meters naar huis, maar hier was de verlichting ook minimaal. In het schaarse licht zag ik ons huis naderen en keek omhoog naar ons balkon. En toen zag ik het – een donkere, stille schim die onbeweeglijk op het balkon stond. Ik kneep mijn ogen samen. Was het echt wat ik dacht?
Luid fluisterde ik: “Hai mi gado, is deze nacht nog steeds niet voorbij? Moet er weer iets gebeuren?”
Mijn lichaam werd overspoeld met spanning, een vermoeiende golf die me het gevoel gaf dat de nacht nooit zou eindigen. Ik overwoog terug te gaan naar Denko, daar te slapen en het risico te nemen dat iets me achtervolgde. Maar iets in me zei dat ik door moest gaan, dat ik mijn angst niet moest laten winnen. Ik liep zo stil mogelijk verder, bijna sluipend, en stap voor stap kwam ik dichterbij. De schim op het balkon werd steeds duidelijker zichtbaar.
En toen herkende ik het. Het was… mijn moeder! Ze stond in het donker op mij te wachten, haar gezicht vol zorgen. Een enorme opluchting overspoelde me, en ik voelde de spanning van me afglijden.
Ik kwam het erf op, en mijn moeder keek me scherp aan. “Isji fa mi warskow, yu! Waarom wandel je midden in de nacht nog over straat?!” Haar woorden waren streng, maar haar ogen verrieden bezorgdheid. Ze vervolgde: “Ouma heeft me gewaarschuwd in mijn droom, ze zei dat ik op het balkon moest gaan wachten, omdat anders of jij of je vriend niet levend zou thuiskomen. Hoe kun je me zo laten schrikken!”
Ik knikte stilletjes, opgelucht dat ik thuis was, en ging naar binnen om me te wassen. Die nacht sliep ik onrustig, de beelden van wat ik had meegemaakt spookten nog steeds door mijn hoofd.
De volgende ochtend belde ik Denko. Hij klonk net zo verward als ik. Tegen half twee kwam hij bij me, en al snel vertelde hij dat hij die nacht iets bijzonders had gedroomd. Hij droomde dat iets aan hem trok, alsof hij werd meegenomen, maar dat ik hem stevig vasthield en niet wilde loslaten. We gingen zitten en praatten over alles wat er die nacht was gebeurd.
Ik legde uit wat ik dacht dat er was gebeurd. “Er was een jorka beri, een begrafenisstoet van geesten, die stopte vlakbij ons. Ze waren op zoek naar iemand, en wij stonden toevallig op de verkeerde plek, op het verkeerde moment.” Ik vertelde Denko dat als de lang, magere man dichterbij was gekomen, hij ons zeker zou hebben opgemerkt – levenden ruiken immers anders dan de doden.
“De ritselende bladeren die je hoorde,” vervolgde ik, “waren waarschijnlijk van de bananenbomen. Iets heeft ons die nacht beschermd – ik geloof dat een leba, een voorouderlijke geest, ons heeft gered. Die kwam van achteren, uit het perceel, om ons te beschermen tegen wat er op de weg gebeurde.”
Denko knikte, terwijl het besef van de nachtelijke ontmoeting ons beiden bezighield. “En dan nog dat laatste stuk naar huis,” zei ik, “bij Tourtonne 5 moesten we nog een keer rennen, langs een moslimbegraafplaats op de hoek. Het voelde alsof iets of iemand me door dat stuk van de weg heen heeft geholpen. Mijn moeder stond niet voor niets op het balkon – mijn gebeden hadden hulp aangetrokken.”
Die nacht was de eerste en de laatste keer dat ik in het donker langs de Tourtonnelaan liep. Dat soort dingen, zei ik tegen mezelf, zijn moesdey manting, zaken van de nacht, die beter niet verstoord worden.
⭐️⭐️= het verhaal is 90% herschreven door de OST beheerder Yvanna hilton.
Reactie plaatsen
Reacties