STORY 433: HIJ RENDE ACHTER ONS AAN

Gepubliceerd op 2 oktober 2023 om 15:50

🟩 Ingezonden door: Radjindre Ramdhani

                ⚜️HIJ RENDE ACHTER ONS AAN⚜️
—————————

Hallo OST beheerders en leden, Een oudere broer van mij en ik keerden op een avond terug van de stad naar huis.

Wij woonden destijds in Kasabaholo, vlak bij Tammenga. We waren immers min of meer gevlucht uit ons vorige huis in Tammenga, weet je nog? Mijn broer bestuurde de brommer en ik zat achterop met mijn handen om zijn middel geklemd. Het zal ergens tussen zes en zeven uur ’s avonds zijn geweest. Je weet dat het dan al schemert en soms zelfs donker is in Suriname. Dus de koplamp van de brommer was aan en verlichtte de weg voor ons.

Het was alsof we het eindpunt van de lichtbundel najaagden in de avondschemering. Op een gegeven ogenblik, we waren al zowat thuis, kreeg ik het merkwaardige gevoel dat iemand achter ons aanrende. Ja, God … Denk maar wat je denken wil, maar ik kan het niet uitleggen. Ik ben zelfs niet in staat om aan te geven, waarom ik dat merkwaardige gevoel kreeg. Het was er gewoon. Terwijl de brommer een monotoon gebrom voortbrengend voortreed en de wind met mijn haren speelde, keek ik over mijn rechterschouder.

Van verbazing viel ik zowat van de brommer af! Achter ons rende iemand met ons mee; iemand, die klein was en mij bekend voorkwam. Je moet beseffen dat de weg naar Kasabaholo onverlicht was en aan weerszijden werd omzoomd door bossen. Toch herkende ik in de schemering achter ons plotseling de voortrennende figuur; de rennende silhouet was mijn kleine broertje! De afstand tussen hem en de voortrijdende brommer bedroeg nog geen tien meter.

Verbijsterd keek ik mijn broertje aan. Voortrennend lachte hij me toe. Allerlei vragen drongen zich aan mij op. Wat bezielde hem om in het schemerdonker over de weg te rennen? Waar kwam hij vandaan? Waarom rende hij achter ons aan? Hoe lang dacht hij het nog vol te kunnen houden? “Zit stil. Wat is er met jou aan de hand? Straks gaat de brommer zigzaggen!’ hoorde ik mijn oudste broer zeggen. Ik had niet eens beseft, dat ik zo wild had bewogen op de brommer, dat ie bijna ging zigzaggen! Ik wendde mijn gezicht weer naar voren.

‘Maar ..’
‘Maar wat?’ riep mijn broer mij over zijn schouder toe.
Ik twijfelde aan mijn gezichtsvermogen en keek nogmaals over mijn schouder. Mijn kleine broertje rende nog steeds op nog geen tien meter afstand met ons me. ‘Kijk, daar heb je de buurvrouw,’ zei mijn oudere broer. Ik keek over zijn schouder naar voren en zag inderdaad onze buurvrouw, die langs de kant van de weg stond. ‘Waarom laten jullie hem rennen? Neem hem toch ook op de brommer!’ schreeuwde ze ons toe.

‘Wie?’ vroeg mijn broer verbaasd, maar toen waren we de buurvrouw reeds gepasseerd. Ik keek achterom en zag haar donkere silhouet in de avondschemering steeds kleiner worden. Mijn broertje rende nog steeds met ons mee! Wat een conditie! Hij hijgde niet eens, maar lachte me steeds toe. ‘Die mafkees!’ zei ik.
‘Wie?’ vroeg mijn broer. ‘Kijk maar achterom. De ‘kleine’ rent al vijf minuten achter ons aan!’ We noemden ons broertje altijd ‘de kleine’ en gebruikten zelden zijn echte naam om hem aan te duiden.

Dit was in de loop der jaren gewoon zo gegroeid.
‘Als ik achterom kijk, dan rij ik de bushbush in,’ antwoordde mijn broer en vervolgde daarna: ‘maar bovenal moet je mij niet voor de gek houden, want ik rij bijna 40 kilometer per uur en geen mens kan dat tempo al rennend vijf minuten volhouden!’. Ik was verbijsterd. Dat ik daar zelf niet op gekomen was! Wie of wat rende dan met ons mee? Ik keek voor de zoveelste keer achterom. Er was niemand te zien. Helemaal niemand! Mijn broer draaide de inrit naar onze woning op.

De omtrekken van onze woning doemden op in ons gezichtsveld. De buitenverlichting was aan en lonkte uitnodigend. In het licht van de koplamp zag ik mijn vader en mijn kleine broertje op de veranda zitten, terwijl ze de muskieten van zich afsloegen, die steevast met de opkomende schemering bezit namen van de bewoonde wereld. De haren rezen mij te berge. Het was onmogelijk dat mijn kleine broertje eerder thuis was dan ons! Onmogelijk! Tenminste, als hij degene was geweest, die al die tijd achter ons aan had gerend!

Voordat de bromfiets helemaal stilstond, dook ik er al af en sprintte naar mijn broertje. ‘Ben jij weg geweest?’ vroeg ik hem. ‘Zeur toch niet,’ antwoordde mijn vader, ‘we zitten al een half uur te praten over zijn schoolplannen!’ Ik zakte op de houten verandavloer. Mij vader zag aan mijn gezicht dat er iets mis was.
‘Wat heb je? Wat is er gebeurd?’ vroeg hij. Ik vertelde hem wat ik onderweg had meegemaakt. ‘Dat bedoelde de buurvrouw dus,’ sprak mijn oudste broer, terwijl hij schichtig om zich een keek. ‘Je broertje is niet weggeweest. Bovendien kan hij geen 40 kilometer per uur rennen en zeker niet zonder te hijgen.

Wat je gezien hebt, was een bakroe!’ zei mijn vader ernstig. ‘Een bakroe?’ vroeg mijn broertje angstig.
‘Ja,’ vervolgde mijn vader, ‘een bakroe is een kleine jongen met een opvallend groot hoofd. Hij bestaat voor de helft uit vlees en voor de andere helft uit hout of metaal. Hij kan het gezicht en de vorm van bestaande mensen aannemen; in dit geval dus van de ‘kleine’. Bakroes worden in het leven geroepen door mensen, die kennis hebben van bovennatuurlijke zaken. Ze roepen die wezens in het leven om hun have en goed te beschermen als bewakers.

Maar veel bakroes ontsporen en gaan dan hun eigen leven leiden, meestal kwaadaardig. Ze zullen je niet doden, of zo, maar ze zullen je het leven zuur maken, je plagen, je goederen beschadigen, of bezit van je lichaam nemen en je allerlei enge ziekten bezorgen. Veel mensen, die bakroes in het leven roepen hebben achteraf de kracht niet om het kwade in die wezens te beteugelen.’
‘Echt niet?’ vroeg ik.
‘Echt niet en daarom worden ze vaak zelf het slachtoffer van hun eigen creaties! Het is maar goed dat jouw broer opmerkte dat niemand 40 kilometer per uur kon rennen.

De bakroe voelt zich dan betrapt, hij weet dat hij door de mand is gevallen en dan verdwijnt hij. Anders had je hem automatisch meegenomen naar huis en dan hadden we ons toch ellende op de hals gehaald! Maar kom, laten we naar binnen gaan en bidden!’ Stilzwijgend volgden we onze vader naar binnen. Ik voelde nog wel de aandrang om over mijn schouder te kijken, maar de angst om met dat duistere wezen geconfronteerd te worden, was groter dan de aandrang om te kijken.

⭐️= Het verhaal is geplaatst zoals die ontvangen is.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.