🟥 Ingezonden door: Radjindre Ramdhani
⚜️HET LIJK ACHTER DE BANK⚜️
———————
Hallo OST leden, Ik woonde met mijn vrouw en twee kinderen in een eengezinswoning, in een dorp in Noord-Holland.
Echt een heel mooi dorp met veel rietlanden, polders, weilanden en boerderijen. Slechts een paar duizend inwoners kende het dorp en als je dan als Surinaams Hindoestaans gezin, daar komt te wonen (en zeker in de jaren zeventig van de vorige eeuw), dan ben je een bezienswaardigheid.
We vonden vrij snel onze draai, we werden geaccepteerd door de oorspronkelijke bewoners, dus we hadden geen moeite om ons aan te passen. Mijn vrouw, Mila, was huisvrouw en ik vond werk bij een grote fabriek, op ongeveer 25 kilometer van mijn woonplaats, waar van alles werd geproduceerd, wat te maken had met het werk van loodgieters.
Het leven kabbelde voort. De jaren vergleden. We kregen een derde kind en een vierde en daarmee begon de ellende. Het huis was te klein voor een gezin van zes. Dus klopten we aan bij de gemeente. Ook zij erkenden dat wij te klein behuisd waren, maar men werkte met wachtlijsten. Dus moesten we geduld betrachten. De jongste was al vier jaar oud, toen wij eindelijk een andere woning kregen toegewezen. Een mooie eengezins huurwoning met vier slaapkamers en een grote zolder.
Het bankstel in de voorkamer werd als volgt neergezet: de driezitter ging tegen één van de muren. De tweezitter kwam als het ware los, in het midden van de kamer. De tv kwam drie meter ervoor, schuins in een hoek. Dus waar je ook zat: je kon tv kijken. Achter de tweezitsbank was een grote open ruimte en daarna werd de zespersoons eettafel geplaatst, grenzend tegen het grote achterraam en de achtertuin.
Eigenlijk hadden we binnen drie weken door, dat er iets niet klopte met het huis. Alleen negeerden wij de eerste tekenen, omdat ze ons werden ingeseind door onze kinderen. Ik was een lekke fietsband aan het plakken in de schuur. Mijn dochter van 8 jaar oud, Manisha, kwam erbij staan en zei: “Papa… “
“Ja?” deed ik. Ze zweeg. Gezeten op mijn hurken wierp ik een schuine blik op haar. “ Waarom stop je? Wat wil je zeggen?” vroeg ik verbaasd. Het was niets voor haar om zo aarzelend te spreken. Manisha wierp een blik op de fiets, die ondersteboven op de grond stond.
“Papa, weet je dat wij niet alleen in dit huis zijn?”
Ik liet de voorband los, stopte mijn activiteiten en keek haar verbaasd aan.
“Wat bedoel je daar nou weer mee?”
“Papa, er is nog iemand in dit huis. Een meisje. Ze is iets groter dan ik ben en ze is een bakra, een blanke. Ze woont al heel lang in dit huis. Echt heel lang. Heb je haar niet gezien? Soms laat ze zich zien.” Het was zomer. Volop licht. De zon scheen. De jongste van vier, mijn zoontje Jay, sliep en mijn vrouw was met mijn andere twee kinderen, ook twee meisjes, naar de winkel. Ik was dus alleen met Manisha en haar woorden waren met zoveel ernst uitgesproken, dat ik kippenvel over mijn hele lichaam kreeg. Natuurlijk geloofde ik haar niet, maar toch…
“Manisha, luister goed: dit is een heel mooi huis, waar we heel lang op hebben gewacht. In dat andere huis hadden jullie geen eigen kamers en in dit huis hebben jullie allemaal eigen slaapkamers. Dat is toch fijn? Het is een mooie woning, toch? Ik betaal huur en deze woning is dus van ons en van niemand anders en er woont ook geen enkele bakra, geen enkele blanke hier. Ook geen bakrie, geen enkele geit.”
Mijn grap met de Hindoestaanse woorden bakra (blanke) en bakrie (geit), deden haar in de lach schieten. Ze schaterde het uit.
“Een bakrie in huis, haha, die papa,” hikte zij.
“Ik wil geen bakries in huis, want als die geiten beginnen te poepen!” riep ik met rollende ogen. Mijn kleine meid kwam niet meer bij van het lachen en daardoor begon ik ook te lachen. Daarna ging Manisha in de tuin spelen en we vergaten het voorval. Maar ’s avonds in bed bracht ik het ter sprake. Mijn vrouw schoot als een speer overeind en begon heel zwaar te ademen. Ik keek naar haar bolle wangen en richtte me op, op mijn ellebogen.
“Wat is er?” vroeg ik verbaasd.
Mijn vrouw keerde zich naar me toe en zei: “Radjoe, is het je niet opgevallen? Ik ben blij met deze woning, maar is het je niet opgevallen dat er iets niet klopt met deze woning?”
Nu ging ik verbaasd overeind zitten en knipte het nachtlampje aan. “ Wat probeer je mij duidelijk te maken?” vroeg ik verbaasd. Even zweeg mijn vrouw, ze leek naar woorden te zoeken en toen zei ze: “Jij werkt de hele dag, maar ik heb een paar vreemde dingen meegemaakt.”
“Wat voor vreemde dingen?”
“Soms als ik de trap opga, dan lijkt het net, alsof iemand achter me loopt. Als ik mij omdraai, is er niemand.
Dit is me al een paar keer overkomen. En recent was de was gedraaid. Ik liep naar de badkamer en wilde al die vochtige kleren weghalen om buiten op te hangen. Toen meende ik in het glas van de wasmachine een soort donkere schaduw achter mij te zien. Ik schrok zo heftig. Razendsnel draaide ik me om, maar er was niets te zien. Toch heb ik me niet vergist. Laatst waren de kinderen op school, jij was op je werk en ik was met Jay op zolder. Ik was aan het strijken en Jay speelde met zijn speelgoed.
Opeens hoorde ik beneden gebonk en daarna hoorde ik iets schuiven. Ik schrok en stopte direct met strijken. De gedachte aan inbrekers kwam niet eens bij me op, omdat ik dacht dat jij om de één of andere reden eerder was thuisgekomen van je werk. Ik riep een paar keer je naam, maar toen er geen reactie kwam, werd ik wèl bang. Inbrekers? Ik heb de stekker van het strijkijzer uit het stopcontact getrokken, ik heb Jay opgetild en ik ben heel voorzichtig, met angstig kloppend hart, de twee trappen afgelopen.
In de hal beneden stond ik stil. Toen gooide ik opeens de deur van de voorzaal open. Er was nergens iemand te bekennen, de deuren van het huis waren keurig afgesloten, maar de tweezitsbank stond schuin! Ik heb heel lang naar de bank gestaard. Had die al schuin gestaan, of hadden de kinderen dat gedaan? Je weet dat ze altijd ravotten, voordat ze naar school gaan. Ik wist het niet, ik weet het nog steeds niet, maar er klopt iets niet in dit huis.”
Na het verhaal van mijn vrouw, staarde ik haar ontdaan aan. In spoken en geesten geloofde ik wel, maar ik was blij met dit mooie huis en wist niet hoe ik op haar verhaal moest reageren.
“Dat vorige huis was te klein. Nu hebben we iets moois? Denk je echt dat het hier spookt?” vroeg ik.
Mijn vrouw haalde haar schouders op en zei voorzichtig: “Nou… nee… dat niet, maar… ik weet het niet… “
“Ben je bang in dit huis?”
Ze schudde ontkennend haar hoofd.
“Ben je niet gelukkig in dit huis?” vroeg ik.
“Met jou kan ik overal gelukkig zijn!” antwoordde ze. Ze schrok van haar eigen vlotte antwoord en begon te giechelen.
“Zoooo, wat een compliment na vier kinderen,” grinnikte ik, “laten we dan maar gaan slapen. Er is niets. Over enkele maanden, als je dit huis helemaal gewend bent, dan ga je hier niet eens weg willen!” beweerde ik. Ik knipte het licht uit en aarzelend ging mijn vrouw weer liggen. Ik waag te betwijfelen, of ze direct in slaap is gevallen.
Het was in de avond. De kinderen sliepen. Mijn vrouw en ik zaten op de tweezits en keken naar de tv. In die dagen bestond er geen digitale tv en je had geen keus uit veel kanalen. Als kanalen hadden wij de keus uit Nederland 1, Nederland 2 en Nederland 3. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat het op een woensdag was en dat we keken naar omroep Veronica op Nederland 2, die een aflevering van Starsky and Hutch uitzond: in die tijd, een dusdanig populaire politieserie, dat de straten in Nederland uitgestorven leken.
Iedereen leek voor de buis te hangen. Gedurende de serie begon mijn belangstelling voor de tv langzaam af te nemen. Aanvankelijk onbewust. Mijn aandacht verschoof en ik was me er in eerste instantie niet eens van bewust waar naar toe. Iets stoorde me. Maar wat? Er was geen lawaai, de kinderen sliepen, mijn vrouw zat naast me… Waarom voelde ik me zo onrustig? Ik keek opzij. Mijn vrouw keek niet naar de tv, maar keek met grote ogen naar mij.
Ze leek echt bang en opeens werd ik me gewaar van een angst die mij leek te overmeesteren, terwijl tegelijkertijd al mijn nekharen overeind gingen staan. Ik had heel duidelijk het idee, dat er iemand naar ons keek. En die iemand moest achter ons staan. Ik kon het niet logisch verklaren, het was een gevoel, dat er iemand achter ons stond.
“Voel jij dat ook?” fluisterde Mila met een benepen stem.
“Wat? Wat voel jij dan?” fluisterde ik schor terug.
Op tv vond een vuurgevecht plaats tussen de hoofdrolspelers en de bad guys.
“Dat we bekeken worden… Radjoe, dit gevoel ken ik van de trap. Iemand kijkt naar ons. En die iemand staat achter ons!” fluisterde Mila. De angst was bijna hoorbaar in haar stem. Haar laatste woorden bezorgden mij rillingen. Ik wilde me omdraaien, ik moest me omdraaien, ik moest achter me kijken, maar de angst verlamde mij. Ik kon mezelf er niet toe brengen, om achter me te kijken, omdat ik zeker wist dat Mila gelijk had.
Er was iets achter ons en ik zou dat iets te zien krijgen. Daarvan was ik overtuigd. Mila’s linkerhand kroop tastend over de zitting naar me toe. Ze kneep me hard in mijn onderarm en tegelijkertijd schreeuwde iemand iets op tv. Met onvermoede dapperheid sprong ik overeind. Mijn vrouw schrok zo heftig, dat ze een luide kreet slaakte en zijwaarts op de bank viel. Ik wervelde om mijn eigen as en draaide me om. Vlak achter de tweezitsbank, in de schemerige verlichting van twee wandlampen, stond een meisje met lang, blond, loshangend haar.
Ze was volgens mij net iets ouder dan Manisha, mijn oudste dochter van 8 jaar oud. Haar ogen stonden triest. Het viel mij direct op dat ze doorzichtig was, want ik zag de eettafel, de stoelen, het glas in de achterpui en de donkere achtertuin, dwars door haar heen. Ik hapte naar adem en wankelde naar achteren. Mijn vrouw richtte zich op, volgde mijn blik en toen ze de gestalte zag, rolde ze van de bank op de grond. Op dat ogenblik begon de gestalte te vervagen en geen seconde later was ze opgelost in het niets.
Ik was een volwassen man, vader van vier kinderen en ik wist het nodige van de wereld der levenden, maar als Surinamer en als Hindoestaan, wist ik veel over God, over het leven na de dood, over geesten, spoken, yorka’s, bakroe’s en nog veel meer. Generatie op generatie worden deze dingen doorgegeven aan de kinderen en kleinkinderen. Ondanks de verworvenheden van de moderne wetenschap, sterven deze verhalen niet uit.
Echter… Indien je zelf zoiets meemaakt… zélf! Met je eigen zintuigen… Je hele wereld staat op z’n kop! Ik was dan ook volkomen overrompeld. Met grote angstogen staarde ik naar de plek, waar de verschijning zich had geopenbaard. Mijn vrouw krabbelde overeind, liep snel naar me toe en klampte zich aan mij vast. Op dat ogenblik hoorde ik iets aan mijn rechterzijde. De deur van de voorkamer draaide open. Geschrokken deden we een paar stappen achteruit. In de deuropening stond mijn oudste dochter Manisha in haar gebloemde pyjama.
“Wat is er gebeurd?” sprak ze gapend.
Opgelucht staarden we haar aan. Nog steeds dusdanig onder de indruk van het vreemde gebeuren, dat we geen woord uit onze mond kregen. “ Ik hoorde mama schreeuwen, of gillen,” verduidelijkte mijn dochter. Mijn vrouw wilde iets zeggen, maar gelukkig kreeg ik mijn helderheid van geest op tijd terug. Met een ruk aan haar arm, legde ik Mila het zwijgen op en sprak tot mijn dochter: “Maak je geen zorgen. Ga weer naar bed. Je moeder en ik waren een beetje aan het dollen, ik heb haar flink laten schrikken.”
Ik had geen behoefte aan bange kinderen in huis! Mijn kinderen moesten zich veilig voelen. Of ze ook daadwerkelijk veilig waren, was een andere vraag, waar ik het antwoord op schuldig moest blijven.
Die avond lagen wij lang wakker. Naast elkaar. Met de verlichting aan. Overleggen; je weet wel, zo’n fluisterende huwelijksvergadering in bed, waar de kinderen geen weet van mochten hebben.
“We hebben eindelijk na lang wachten het huis van ons dromen, maar er is een bhoot, een geest in dit huis. Een spook. De vraag is: wat doen we?” vatte ik kort samen.
“Jij bent de hele dag op je werk, maar ik ben de hele dag thuis met de kinderen. Ik wil hier niet blijven! Ik wil weg. Dan maar terug naar ons oude woning!” siste mijn vrouw. “ Wees realistisch! We kunnen niet terug. We moeten een andere oplossing zoeken!” sprak ik. Mila zweeg.
“Er zijn geen Surinamers hier. Iedereen woont in Den Haag, Amsterdam, of Rotterdam. Alle pandits, Bonumans en dergelijke vind je daar en niet hier. Wie moet ons dan helpen?” sprak ze.
Ik zuchtte diep. “Laten we gaan slapen. Morgen ga ik rondbellen. Er moet een oplossing zijn,” sprak ik.
“Prima Radjoe, maar het licht blijft aan!” eiste ze.
Ik belde rond naar familie en vrienden in de Randstad en eindelijk kreeg ik een man te pakken. Ene Ashok D. Hij was geen echte pandit (Hindoestaanse geestelijke), maar hij was volgens zeggen van velen, paranormaal begaafd en had al een reputatie opgebouwd als verdrijver van geesten en andere takru sani, slechte dingen. Natuurlijk kregen de kinderen niets van ons te horen, omdat we hen niet bang wilden maken. Ons leven ging verder, maar mijn vrouw en ik voelden ons niet meer op ons gemak.
Als we rare geluiden hoorden, je weet wel, van die krakende en piepende geluiden die normaal waren, die elk huis wel heeft, dan keken we elkaar angstig aan. Echter, je weet wat mensen zeggen: alles went en het leven gaat verder. In afwachting van Ashok D. ging het leven verder. Op een keer hadden we visite van Ravi, een zwager van mij, met zijn vrouw, zijn twee kinderen en in hun kielzog hadden ze ook twee kennissen meegenomen. Dat zij zich verwaardigden, om vanuit de Randstad helemaal naar ons toe te rijden, was al heel wat.
Zoals gewoonlijk: we aten, we spraken, we speelden het in Surinaamse kringen zeer populaire kaartspel troefcall, we dronken… Het was leuk. De kinderen speelden, joelden, ravotten, maakten ruzie en huilden met elkaar, door het hele huis en in de achtertuin. Af en toe schreeuwde je hen toe, om ze tot bedaren te brengen, of om hen in het gareel te houden. Een normale dag. Eén ding was echter niet normaal: één van de kennissen die was meegekomen, een verre neef van 38 jaar die naar de voornaam Shaam luisterde, leek zich de hele tijd niet prettig te voelen. Hoe moet ik zijn gedrag aanduiden?
Hij leek de hele tijd niet prettig in zijn vel te zitten, keek onrustig heen en weer, bewoog zenuwachtig, blikte veelvuldig met een zoekende blik door de voorkamer, krabde zich dan weer hier, dan weer daar, zuchtte zwaar… Echt zeer onrustig. Tegen zeven uur in de avond, vlak nadat we getafeld hadden, sprong hij plotseling overeind, schoof zijn stoel naar achteren en richtte zich tot mij.
“Ik moet je spreken,” sprak hij kort.
Verbaasde gezichten alom.
“Onder vier ogen!” vulde hij aan.
Ik verdween met hem in de hal en sloot de deur van de voorkamer goed af.
“Er klopt iets niet,” sprak hij zacht.
“Pardon?” vroeg ik met gefronste wenkbrauwen.
“Er klopt iets niet met dit huis. Er is hier iets. Ik weet niet of u mij gelooft, maar ik voel heel vaak dingen, die ik niet kan verklaren, of uitleggen en achteraf blijkt dat ik gelijk heb. Er zijn hier meer personen dan wij kunnen zien. Hier hangt de geest van iemand die al lang overleden is. Geen man.
Een vrouw. Een meisje. Een kind. Het is geen kwaadaardig iets, ze heeft niets slechts in de zin, maar ze is onrustig, dwalend, zoekend, u moet er iemand bij halen!” Ik haalde opgelucht adem, want ik had het idee, dat we een medestander hadden. Ik nam hem in vertrouwen en vertelde hem wat we hadden meegemaakt en wat mijn dochtertje Manisha me had toevertrouwd. “ Je moet er iets aan laten doen, laat iemand ernaar kijken,” adviseerde hij. “We zijn er al mee bezig, binnenkort komt een zekere meneer Ashok kijken,” gaf ik te kennen. Hij knikte gerustgesteld.
Later zaten we op de bank. Buiten was het donker, binnen waren de lichten aan. Jay, de jongste van vier, was boven in diepe slaap. De overige kinderen zaten rond de eettafel, verzonken in hun eigen spelletjes en gekwebbel. Wij, de volwassenen, installeerden ons rond de salontafel, pratend over koetjes en kalfjes. Mijn zwager Ravi stond opeens op, daar hij naar het toilet moest, die zich in de hal bevond.
Even leek iets hem dwars te zitten, hij stopte, keek naar de kinderen, schudde zijn hoofd, verdween toen in de gang en trok de deur achter zich dicht. Opeens ging de deur van de voorkamer weer open. Hij kwam terug. “Je moest toch naar de wc?” vroeg zijn vrouw verbaasd. Mijn zwager stond stil, keek van zijn vrouw naar ons en daarna weer naar de kinderen. “Jouw jongste is boven toch?” vroeg hij.
Mijn vrouw Mila knikte. “Hoeveel kinderen heb je eigenlijk?” vroeg mijn neef. “ Dat weet je toch,” antwoordde ik, “Jay is de jongste, dan Tulsi van 5, Shreya van 7 en Manisha is de oudste met 8 jaar.”
Bij het noemen der namen van de meisjes, wees ik hem de kinderen aan, terwijl ik toch zeker wist dat hij hen onderhand wel kende. De kinderen hadden door dat we over hen spraken en staakten hun activiteiten. Verlegen en nieuwsgierig staarden ze naar ons. “Ja, hier beneden heb je drie kinderen en daar zijn die twee van mij… Samen vijf… “. Hij zweeg even, krabde op zijn achterhoofd en mompelde toen meer in zichzelf, dan tegen ons: “Ik zou zweren, toen ik net wegliep, dat ik zes kinderen had gezien.
Daar zat toch ook een meisje? Wie was dat dan? Waar is ze gebleven? Ben ik nou gek aan het worden?”. Mijn vrouw en ik keken elkaar veelbetekenend aan. Neef Shaam keek naar mij en wilde iets zeggen, maar ik was hem voor, daar ik de kinderen geen angst wilde aanjagen.
“Je moet minder drinken, Ravi. Ga nu maar naar het toilet, voordat je het in je broek doet!” riep ik met een gemaakte lach. Zwager Ravi trok zijn schouders op en begaf zich naar het toilet. Ravi’s vrouw, mijn zusje, keek hem hoofdschuddend na en sprak: “En dan zeggen ze dat wij vrouwen niet tegen drank kunnen!”
We lachten allen schaapachtig. Volgens mij was ik de enige die de stem van Manisha zachtjes hoorde zeggen: “Ik zeg toch dat er nog iemand hier woont, maar papa gelooft me niet!”
Ik ging er niet op in. Toen mijn visite tegen tien uur in de avond zou vertrekken, trok de onrustige neef Shaam opeens bleek weg. Hij stond recht, bewoog zijn handen heen en weer in de voorkamer en keek me ernstig aan. “ Achter de bank. Haar plek is achter de bank, doe er wat aan!” fluisterde hij in mijn oor.
Ik ben informatie gaan inwinnen bij mijn buren over de vorige bewoners, zonder dat ik over geesten en spoken begon. Ik kreeg te horen dat er eerst een Nederlands gezin met drie kinderen daar had gewoond, bijna vijftien jaren, zonder enige problemen. Wie daarvoor daar had gewoond, kon niemand mij vertellen. De laatste bewoners bestonden uit een Indonesische vrouw met twee zonen. Die hadden daar echter niet lang gewoond.
“De oude Indische dame had ze duidelijk niet allemaal op een rijtje en zei dat het spookte,” sprak mijn buurman lachend, terwijl hij veelbetekenend tegen zijn voorhoofd tikte, om te benadrukken dat volgens zijn mening, de oude Indische dame gek was. “Hebben ze lang hier gewoond?”
“Welnee,” sprak mijn Hollandse buurman, “binnen drie jaar waren ze weg. Vervolgens stond het een paar maanden leeg, ik weet ook niet waarom, want we hebben te maken met woningnood in Nederland. Vervolgens zijn jullie hier komen wonen.”
Zijn woorden zetten mij aan het denken. Een Nederlands, blank gezin, woonde er bijna 15 jaar, zonder enige problemen. Anders zouden ze daar niet 15 jaar zijn blijven wonen. De Indische vrouw met zijn twee zonen, hadden wel geklaagd over spoken en waren binnen drie jaar vertrokken. Ik woonde er enkele maanden en ik was al getuige geweest van de verschijning van een klein meisje. Zou het kunnen, dat, omdat blanken nuchter zijn en niet in die poespas geloofden, dat ze dan minder ontvankelijk waren voor spoken, geesten en dat soort zaken? Was dat het?
Indische mensen en Surinaamse mensen, zoals wij, groeien op met bovennatuurlijke zaken. We krijgen het geloof in spoken en geesten en zulke zaken van kleinsaf met de paplepel ingegoten. Waren wij daardoor ontvankelijker voor zulke zaken? Hadden wij een soort antenne, waardoor wij eerder beelden van spoken, geesten en dergelijke waarnamen? Dat moest wel! Hoe langer ik erover nadacht, des te meer ik ervan overtuigd raakte, dat mijn beredenering een kern van waarheid bezat.
In afwachting van een oplossing, ging het leven gewoon door. Ik werd getroffen door een hardnekkige griep, waardoor ik heftige hoestbuien had. De griep ging niet weg. Er waren veranderingen merkbaar in het gedrag van mijn vrouw. Ze weigerde om ’s avonds alleen in de voorkamer te zijn. Indien ik moe was en ik ging vroeg naar bed, dan ging ze ook mee naar bed. Hoe mooi een film ook was, ze ging echt niet in haar eentje voor de buis hangen. Kortom: ze was bang!
Ik kon haar begrijpen, want ik ben me ook een keer helemaal wezenloos geschrokken. Het was tegen elf uur in de avond. Buiten was het donker. De kinderen sliepen en mijn vrouw sliep ook. Ik was nog beneden in de voorkamer, omdat ik een uitzending van studio sport niet wilde missen. Na de uitzending, schakelde ik de tv uit. Ik liep nog even naar de eettafel, om een glas weg te halen en naar de keuken te brengen. Mijn hand reikte naar het glas.
Op datzelfde ogenblik zag ik de verlichting en de complete voorkamer weerspiegeld in het glas van de achterpui. Dat was normaal. Wat niet normaal was, was de weerspiegeling van een gedaante van een klein meisje, dat vlak achter me stond en mij met grote ogen aankeek. Mijn hart sprong bijna uit mijn borstkast van schrik. Ik maakte een sprongetje van schrik, slaakte een kleine kreet en draaide me om. Niemand! Er was niemand. Razendsnel wendde ik me weer om en keek in de weerspiegeling van het glas en daar was ze weer.
Ze leunde tegen de bank en staarde mij aan. Deze keer schrok ik zo erg, dat ik bijna vergat adem te halen. Ik vluchtte naar de keuken. Daar stond ik minutenlang met gesloten ogen, tegen de deur geleund, hijgend, totdat ik mijn ademhaling weer onder controle had. Vervolgens ging ik voorzichtig de voorkamer binnen en weigerde ik om naar het glas van de achterpui en de ramen te kijken. Met de ogen naar de grond gericht, zocht ik mijn weg naar de lichtknop.
Ik deed de verlichting uit, sloot de deur van de voorkamer en snelde naar boven, waar ik met een rilling van angst, naast mijn vrouw in bed kroop. Vanaf die dag trok ik al vroeg in de avond de gordijnen dicht, zodat we het glas en alle weerspiegelingen niet meer zagen! Mijn vrouw en twee dochters hebben daarna nog het één en ander meegemaakt. Allemaal van die spooky dingen. Dus was ik dolblij, toen een week later, nadat ik mijn vrouw en de kinderen bij familie in Amsterdam had gedropt, die meneer Ashok uit Den Haag zijn opwachting maakte.
Een dikke man, echt corpulent, met een kaal hoofd en om de één of andere reden zwetend als een otter. Continu veegde hij met een zakdoek zijn voorhoofd en slapen af, terwijl hij hijgend en puffend ademhaalde, alsof hij zich ergens in de tropen bevond. Ik moet eerlijk bekennen, dat deze man direct mijn vertrouwen won. Toen ik hem namelijk wilde vertellen, wat er allemaal speelde, stak hij een hand omhoog en zei: “Stop. Ik wil niets horen. Niets. Laat me zelf ervaren wat er mis is!”
Dat korte armgebaar en zijn stem hadden een dusdanige autoriteit, dat ik direct verstomde. Zwetend en zijn gelaat wissend, stond hij stil in de voorkamer. Hij leek ergens naar te luisteren. Zijn ogen vlogen van links naar rechts en opeens sprak hij: “Het gaat om een meisje, een klein meisje. Ze is hier al heel lang. Ze doet niemand kwaad, maar ze kan de weg naar het licht niet vinden. Dit is echt zielig, heel zielig. O, wat erg! Daar achter de bank!”
Ik volgde met de ogen, de wijzende en wapperende hand van meneer Ashok. Hij wees achter de tweezitsbank.
“Daar is ze begraven. Ze lag daar al, voordat dit huis werd gebouwd. Heel diep. Ze is een kind van vroegere tijden, die nooit heeft begrepen, dat ze dood is gegaan.” “Moeten we verhuizen?” vroeg ik.
Meneer Ashok glimlachte en veegde zijn zwetende schedel af, met de zakdoek in zijn hand, voordat hij antwoordde:
“Ik denk het niet, ik weet het niet…. Luister, ik moet nog een keer terugkomen. Deze keer neem ik een Nederlandse, blanke dame mee, die in Utrecht woont.
Ze woont aan de Oudegracht, ze is heel sterk paranormaal begaafd en ze is echt heel goed. Zij kan je helpen en advies geven, om wel, of niet te verhuizen. Voor wanneer kunnen we een afspraak maken?”
“Hoe sneller, des te beter!” antwoordde ik oprecht. Ik wilde nu spijkers met koppen slaan. Of er kon iets gedaan worden aan het probleem, dan kon ik hier blijven wonen, of er kon niets worden gedaan, dan moest ik weer verhuizen.
Een week later was het zover. Ik hoestte nog steeds van een griep die maar niet weg wilde gaan. Mila en de kinderen waren veilig ondergebracht bij familie in Den Haag. Het was op een zaterdag. In mijn eentje wachtte ik op de komst van de twee ghostbusters. Ashok maakte keurig op tijd zijn opwachting, met in zijn kielzog een oude, grijze dame, met een gelaat vol rimpels. Wat me altijd zal bijblijven, zijn haar ogen. Deze blanke bakra dame, bejaard, had ogen als schijnwerpers.
Haar ogen waren (hoe raar dit ook klinkt) blauw-grijzig en staarden dwars door mijn ziel. Anders kan ik het niet beschrijven. Ze leken dwars door al mijn geheimen heen te kijken, zo erg zelfs, dat ik beschaamd mijn ogen neersloeg en het niet aandurfde om in haar ogen te kijken. Rond de kraag van haar witte blouse hingen maar liefst drie verschillende kettingen met kruisbeelden, die tussen haar borsten rustten. Toen ik een hand naar haar uitstak om mij voor te stellen, weigerde ze mijn hand aan te nemen.
Ashok schudde zachtjes zijn hoofd heen en weer en fluisterde: “Ze geeft niemand een hand, echt niemand. Trek het je niet aan, ze is, zoals ze is… Ze heeft voor alles een reden.” Van de twee spokenjagers moest ik weg uit huis. Ze verzochten me na een uur terug te komen. Ik was verbaasd, maar ik had hun hulp hard nodig, dus ben ik weggegaan, nadat ik ze had aangespoord om drinken uit de koelkast te pakken. Een uur lang wandelde ik buiten rond, ik checkte mijn auto een paar keer, genoot van de buitenlucht en telde de minuten af.
Ik was wel onderhevig aan grote spanning, of stress, zo je wilt, want….. mocht ik daar blijven wonen, of moest ik verhuizen? Precies na een uur keerde ik terug naar mijn woning. Ashok en de oude dame zaten op de tweezits. Hij zwetend en vegend, zij kalm, waardig met een sereen gelaat.
“De geest van een meisje zat hier vast,” sprak ze, “ze is door ziekte omgekomen, heel, heel lang geleden. Toen was dit gebied nog een moeras. Ze is hier begraven, maar ze heeft het hele proces van overgang nooit kunnen maken.
Over de hele wereld komen duizenden zulke aardgebonden zielen voor. Sommigen zijn kwaadaardig, maar daar was bij dit meisje geen sprake van. Ze was eerder een verdwaalde ziel. Nu is ze eindelijk vrij en in het licht. Ik heb met haar gesproken, ik heb haar uitgelegd in wat voor situatie ze zat en ze is vrijwillig naar het licht gegaan, ze is begeleid door twee lichtwezens. Dit huis is schoon. U kunt hier blijven wonen. Brengt u mij nu maar een glas water, a.u.b.!”
Later, bij het afscheid, rekende ik af. Ashok nam genoegen met 100 gulden en de dame was tevreden met 50 gulden. Vergis je niet; voor die tijd waren dat grote bedragen! Toen de dame, het geld in ontvangst nam, greep ze opeens mijn bovenarm. Ik schrok, omdat ik wist dat ze niemand een hand gaf. “ Ga naar de dokter,” sprak ze, “en laat hem foto’s maken van je longen. Hoor je? Laat foto’s maken van je longen, dan kun je na een operatie verder leven.
Zo niet, dan ga je dood aan die hoest. Zo simpel is het, want die onzin, die kolder, dat het vaststaat wanneer iemand dood zal gaan, dat moet je niet geloven. God legt niemands tijd vast, dat is rotzooi, ons voorgehouden door valse profeten. Het leven gaat gewoon z’n gang en soms heb je pech en soms geluk. Laat foto’s maken van je longen!”
Later ben ik mijn vrouw en kinderen gaan ophalen.
Ik heb mijn vrouw verteld, over de ziel van het meisje, over de tekst en uitleg van de oude dame, maar vooral dat het huis schoon en veilig was.
In het begin was mijn vrouw nog steeds bang, maar naarmate de tijd verstreek en zich niets vreemds voordeed, raakte ze haar angst kwijt. Zoals je merkt, wonen wij nog steeds in dezelfde woning. Waar jij nu zit, daarachter is het meisje begraven. O ja, dit moet je nog weten: op advies van de oude dame, heb ik foto’s laten maken van mijn longen.
Eerst weigerde mijn huisarts mij een verwijsbrief mee te geven. Volgens hem kwam mijn hoesten voort uit een hardnekkige griep. Ik had echter zo een rotsvast vertrouwen in de oude dame, dat ik voet bij stuk hield en de huisarts zelfs beschuldigde van racisme. Toen kreeg ik een verwijsbrief mee. In het ziekenhuis werd een foto gemaakt en toen mocht ik niet eens naar huis. De arts sprak: “Op uw linkerlong, zit een cyste, zo groot als een tennisbal. Daardoor hoest u. Indien de cyste openbarst, bent u dood. Direct dood.
Beseft u wat ik zeg? U mag dus niet naar huis, u wordt direct opgenomen en we gaan proberen u morgen te opereren!” Ik was verbijsterd. Ik werd geopereerd. Ik leef nog. Mijn huisarts was ook helemaal confuus, omdat hij me eerder een verwijsbrief voor het ziekenhuis had geweigerd. Echter: wat kon ik die man kwalijk nemen? Hij kon toch niet weten dat ik verdorie een cyste ter grootte van een complete tennisbal in mijn longen had zitten?
Dit verhaal is mij verteld door R. en M.
Noot van de schrijver: Dit verhaal houdt mij bezig en waarom? Indien de geest van het meisje niet was verschenen, zou er nooit een paranormaal begaafde zijn ingeschakeld, Radjoe zou nooit gehoord hebben over een dodelijke aandoening in zijn longen en hij zou gestorven zijn. Hij zou nooit zijn vier kinderen hebben zien opgroeien. Zo bezien, is het maar goed, dat ze in een spookhuis terechtkwamen.
Zou een hogere macht verantwoordelijk zijn voor het verschijnen van de spook, om te zorgen dat Radjoe gered zou worden? Was het toeval, dat ze in een spookhuis terecht kwamen? Was het toeval dat Mila zwanger raakte, waardoor Jay geboren werd, waardoor ze moesten verhuizen naar een grotere woning, waar het spookte, waardoor ze gedwongen waren om een oude, bejaarde paranormaal begaafde dame in te schakelen voor hulp, die hen aanraadde om naar het ziekenhuis te gaan, om longfoto’s te maken, waardoor Radjoe uiteindelijk zijn leven kon redden?
Hoe vreemd is het leven? Hoe grijpt alles in elkaar? Ik weet het niet. Zit er ergens een nerd achter een game console, spelletjes te spelen en zijn wij niets anders dan pionnen in een spel? Puppets on a string? Als je veel van zulke verhalen hoort, gaan je hersenen het ondenkbare denken!
🔆Dit verhaal komt uit het boek Yorka Tori geschreven door auteur: Radjindre Ramdhani.
⭐️= Het verhaal is geplaatst zoals die ontvangen is.
Reactie plaatsen
Reacties